Kantrechten van bomen

 

Kantrechten
Voor het zware constructiehout van de Friese greide- en bouwboerderijen werden eeuwen lang, tot ver in de negentiende eeuw, dikke rechte bomen gekapt. De gevelde stammen werden na het kappen met de hand gekantrecht. Dat wil zeggen dat de bomen met bijl en baardaaks werden ongevormd tot min of meer vierkante balken.

Van de zware balken die zo ontstonden werd het zware bintwerk oftewel het grutbynt,  bestaande uit de de bintstijlen, liggerbalken, korbelen en de draaghouten, gemaakt.

Stijlen en liggerbalken van een bint zijn dus niets anders dan complete boomstammen waar met de hand de schaaldelen vanaf gehaald zijn. Daar kwam vroeger geen zaag aan te pas.

afbeelding2

Eerst werd er een met krijt ingewreven katoenen “spatlijn” in de lengte op het hout strak getrokken. Door die lijn in het midden net als de pees van een boog uit te rekken en los te laten schieten werd er een rechte krijtstreep op het rondhout gezet. Vervolgens werden er met de bijl kepen in de boom gehakt tot precies op die lijn.

afbeelding5

Daarna werd met de baardaaks achteruitlopend het ingekeepte schaaldeel er afgehakt. Door de eerder gezette bijlkepen werd voorkomen dat het hout ging splijten en kon de buitenkant goed recht gehakt worden

 

afbeelding4

Het was een buitengewoon snelle methode om met de bijl en baardaaks een boom te kantrechten. Een vakman kon dat in weinig tijd doen.

 

 

 

 

Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was

Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was

 

Zagen
Alleen voor de  draaghouten, korbelen en soms de jaagbanden werd een met de hand gekantrechte balk, met meestal dezelfde maat als de stijlen, één keer in de lengte doormidden gezaagd.

Ook komt het een enkele keer voor dat de jaagbanden zijn gemaakt van rondhout dat in de lengte doormidden is gezaagd. Meestal zijn de jaagbanden echter gemaakt van wat dunnere stammen (25-30 cm. doorsnee), die licht gekantrecht zijn.

Behalve aan de onderkant van het draaghout, bij de korbelen en soms bij de jaagbanden komen zaagsporen dus nagenoeg niet voor in het bintwerk van de Friese boerderijen van voor 1890. Alleen voor het afkorten van het hout en voor het maken van de verbindingen zal de zaag zijn gebruikt. Soms vind ik fijne zaagsporen op met de hand gekantrecht hout op plekken waar dikke knoesten zitten.

Doorsnede van een boom met de benamingen
stamdoorsnee
A hart van de boom
B kernhout
C spinthout
D cambium
E bast.  Op de foto is onderaan nog maar een klein stukje van de bast te zien.

Kernhout en spinthout vormen samen het xyleem, het hout. De bast wordt ook wel het floeëm genoemd. In het spinthout gaat de sapstroom omhoog en in de bast gaat de sapstroom omlaag. Tussen xyleem en floeëm oftewel tussen hout en bast zit het cambium, een dun vlies dat houtcellen naar binnentoe afzet en bastcellen naar buiten toe.

Het verschil tussen kernhout en spinthout is dat in het kernhout de sapkanalen zijn afgesloten met stoffen die het hout beschermen. Spinthout is gevoelig voor houtworm. Kernhout is veel minder gevoelig voor houtworm of zelfs helemaal niet.

Kantrechten door de eeuwen heen
Het is makkelijker om met gekantrecht hout een constructie met bijvoorbeeld een  pen en gat verbinding te maken. Ondanks dat is het verwijderen van het buitenste wormgevoelige spinthout, zeker bij grenen, altijd de belangrijkste reden om te kantrechten geweest.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.
Het oudste, zestiende-eeuwse eikenhout dat werd gebruikt voor de bintwerken in boerderijen was tweezijdig gekantrecht. Eikenhout heeft gemiddeld maar iets van 25 spintringen. Deze vormen de buitenste één tot twee centimeter van het hout. Het “gat” voor de pen-en-gatverbindingen wordt veel dieper in het hout gekapt dus dat de buitenste centimeter in de loop van de tijd verwormd raakt, heeft nagenoeg geen gevolgen voor de sterkte van de constructie.

Voor grenenhout is dat heel anders. Het spinthout daarvan kan wel vijf tot tien centimeter dik zijn. Verbindingen die in het spinthout zijn gekapt kunnen sterk verzwakken als het dikke spinthout aangetast wordt door houtworm. Vandaar dat kantrechten veel belangrijker is bij grenenhout dan bij eikenhout. En de timmerlieden wisten dat!

Als vanaf 1600 het grenenhout zijn intrede doet worden er eerst nog veel boerderijen gebouwd met tweezijdig gekantrecht hout. Het was timmermanstraditie om dat zo te doen.

2 zijdig gekantrechte stijl met de overstekende liggerbalk

Tweezijdig gekantrechte stijl en liggerbalk. De zijkanten zijn nog duidelijk rond.

Er werd al snel van deze gewoonte afgestapt. Er zijn maar weinig boerderijen te vinden van ná 1700 die nog zo gebouwd zijn. Pas laat in de negentiende eeuw komt het weer voor maar dan uit armoe. Er is dan gewoonweg niet voldoende dik hout meer te krijgen.

In de bouwhoek, waar de boerderijen altijd al groter van opzet waren, werd tweezijdig gekantrecht grenenhout vaker en ook nog langer, wel tot in de achttiende eeuw,  gebruikt. Dit hout is zonder uitzondering op de ronde spintkanten sterk aangetast.

 

diep gekantrecht eikenhout

Diep gekantrecht eikenhout. In grenenhout is de overgang van kernhout naar spinthout minder goed te zien. Duidelijk is te zien dat er alleen nog wat (lichter gekleurd) spinthout op de hoeken zit.

Voor grenenhout is het dus belangrijk dat het diep gekantrecht wordt en met het dikke hout dat in de zeventiende eeuw en achttiende eeuw nog verkrijgbaar was gebeurde dat ook. Er blijft dan alleen nog wat spinthout over op de hoeken.

 

Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is

Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is

Naarmate in de loop van de tijd de bossen rond de Oostzee uitgeput raakten, waren er steeds minder dikke bomen beschikbaar. De dunnere bomen konden niet meer voldoende diep gekantrecht worden met als gevolg dat het spinthout minder diep weggehakt kon worden. Er  bleef daardoor ook spinthout staan op de platte vlakken. Vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw wordt dit een serieus probleem.

dsc_1916Kenmerkend voor het grenenhout uit de eerste helft van de negentiende eeuw is dat het heel grof van structuur is met enorme knoesten en veel spinthout. Het hout is snel gegroeid met brede jaarringen tot gevolg. Brede jaarringen wijzen op een warmer klimaat met gunstigere groeiomstandigheden en daarmee op een niet zuidelijker herkomst gebied.
Dat grove hout is voor fijn timmerwerk totaal ongeschikt maar het dient zijn doel uitstekend voor de boerderijbouw.

dsc_1916bBlijkbaar werden door de houtschaarste ook de minder rechte bomen met veel zware zijtakken gekapt om toch aan de enorme vraag naar hout te kunnen voldoen. Dit hout is vaak moeilijk te dateren omdat er niet genoeg jaarringen zijn om tot een betrouwbare ouderdomsbepaling te kunnen komen.

Een tweede ontwikkeling om de toenemende schaarste van goed grenenhout op te vangen was dat er al vanaf de achttiende eeuw andere houtsoorten dan grenen werden gebruikt voor het zware constructiehout voor boerderijen. In mijn houtstalen-verzameling zit een opmerkelijk hoog aantal vurenhouten stalen. Het is kwalitatief wel een heel ander vurenhout dan het vuren dat we kennen van vandaag de dag. Vurenhouten stijlen en liggerbalken van 150 jaar en ouder zijn over het algemeen wel meer aangetast dan het grenenhout uit dezelfde periode. Ik hoop in de komende tijd een overzicht te maken van de gebruikte houtsoorten in de verschillende perioden en wellicht zal daaruit een relatie met het gebied van herkomst naar voren komen.

Hout uit Midden Zweden en Finland
Tegen het midden van de negentiende eeuw valt er een sterke verandering in het gebruikte constructiehout op. Het hout wordt ineens heel erg fijn van structuur met heel erg veel smalle jaarringen.

Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen

Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen

Ik heb boorstalen uit 1861 met wel 370 jaarringen over 22 cm. Ik heb het idee, maar dat is nog maar een aanname, dat de houtprijs door de schaarste omhoog ging of dat de transportmogelijkheden verbeterden, want het hout komt bijna zonder uitzondering uit veel noordelijker gelegen gebieden. Midden- en Noord-Zweden en Finland. Blijkbaar konden er in die tijd verder en hoger gelegen bosgebieden winstgevend geëxploiteerd worden. Tegen 1900 raakt blijkbaar ook dit fijne hout op. Of in ieder geval raakt het dikke hout uit dit gebied op.

DSC_6816Er was, naar mijn stellige indruk, in de tweede helft van de negentiende eeuw ergens in het westen van Friesland  een grote timmerwerf betrokken bij het  pre-fab produceren van bintwerken. Bij veel boerderijen zijn de bintwerken op precies dezelfde wijze gebouwd. Kenmerkend is het fijne noordelijke grenenhout, de rechthoekige stijlen, 31 bij 28 cm., en de afgeschuinde hoeken. Bintwerken werden al vroeg, zeker al in de zeventiende eeuw, op een timmerwerf voorbereid en dan in delen naar de bouwplaats vervoerd om daar in elkaar te worden gezet. In de negentiende eeuw gebeurt dat al op industriële schaal.

Vanaf 1890 zijn er twee ontwikkelingen zichtbaar:

Rondhout
Voor de kleinere gebouwen komt het gebruik van rondhout in zwang. Er zijn al enkele met rondhout gebouwde bintwerken in boerderijen te vinden vanaf 1860, maar na 1890 verschijnen er ineens overal boerderijen waarbij het hout, net als in de zestiende en zeventiende eeuw, alleen maar tweezijdig gekantrecht is of vaak zelfs dat niet. Vaak is er aan de vier kanten van het relatief dunne rondhout alleen maar een plat vlak geschaafd. Opvallend is wel dat dat rondhout vaak dezelfde fijne structuur heeft als het hout van de boerderijen van na 1850 met nog wel gekantrecht hout. Waarschijnlijk waren ook in het noorden van het Oostzee gebied, Noord-Zweden en Finland, de zware bomen die goed gekantrecht konden worden op en moest men genoegen nemen met minder dikke bomen die alleen nog maar tweezijdig of zelfs helemaal niet meer gekantrecht konden worden.

Sterk verwormde vuren stijl van een dorpsboerderij in Makkum

De meeste kleinere boerderijen worden vanaf 1890 met rondhout gebouwd, met name in de zuidwest hoek van Friesland. In de vele kleine “koemelkers-boerderijtjes” die dan gebouwd worden is dit rondhout terug te vinden. Die kleine stelp boerderijtjes zijn te herkennen aan de relatief hoge zijmuren met een stijl dak. Tegen 1890-1900 stopten de boeren met de eigen boterbereiding en werd de melk aan de melkfabriek geleverd.  Het lijkt erop dat, nu de boterbereiding aan de melkfabriek werd overgelaten, een heleboel kleine grondeigenaren en koemelkers ook melk aan de melkfabriek gingen leveren. Het rondhout in deze kleine boerderijen, met al het spinthout er nog aan, is meestal al flink verwormd.

Amerikaans grenen
Gelijkertijd gaat men rond 1890 Amerikaans grenen gebruiken als constructiehout voor de grotere bintwerken. Het is te herkennen omdat het vrijwel altijd met een enorme cirkelzaag is gezaagd, waarvan de zaagsporen als halve cirkels op het oppervlak van het hout goed te zien zijn.

Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900

Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900

Het sterke en taaie hout wordt iets minder zwaar gedimensioneerd. Is het constructiehout voor bintwerken rond 1800 nog 33 bij 33 cm, na 1890 is het Amerikaans grenen hooguit 30 bij 30 cm en meestal 27 bij 27 cm en altijd vierkant in doorsnede! Het is een onvoorstelbaar harde en duurzame houtsoort waar nu, ook na ruim honderd jaar zelden iets aan mankeert. Het is door dit hout dat de gedachte in Friesland leeft dat je een spijker niet in een bint kunt slaan.

Vee in de schuur
Schaalvergroting is van alle tijden. Een voor de boerderijen niet erg gunstige ontwikkeling is geweest dat men vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ook vee op het schuurpad en in de gollen gaat stallen. De veestallingen in het klein en groot “bûthús” waren van oudsher van de gollen en de verdere schuur afgesloten, maar nu kunnen de warmte en het vocht geproduceerd door het vee door de hele schuur trekken. Dit is bij deze boerderijen vandaag de dag nog herkenbaar aan een wat zwartig uitgeslagen houtwerk en riet. Houtworm houdt van spint, warmte en vocht. De boerderijen waar  vee in de open schuurruimte heeft gestaan zien er vaak vies en aangetast uit en zijn dan ook vaak niet meer in een beste staat.

Wateren van hout
Het hout voor de schuurconstructie’s werd niet gewaterd. Wateren wordt gedaan door hout een lange tijd onder water te leggen zodat het hout kan uitspoelen. Dat heeft alleen zin bij hout dat verwerkt gaat worden tot planken en ander timmerhout dat niet krom mag trekken. Als een stam in zijn geheel wordt gebruikt blijft de “spanning” in het hout opgesloten. Wateren heeft dan geen enkele zin. Ook drogen heeft geen zin. Het drogen gebeurt normaal gesproken in een beluchte kapschuur en dat is precies wat een boerenschuur is! Eikenhout wordt overigens door het drogen ook nog eens keihard en moeilijk bewerkbaar.

Samenvattend

Eikenhout wordt als constructie hout gebruikt tot 1600 en enkel nog sporadisch daarna. Grenenhout komt vóór 1600 niet voor. Het eikenhout werd tweezijdig gekantrecht. Na 1600 neemt de gewoonte om tweezijdig te kantrechten af, mede doordat grenenhout een dikkere laag wormgevoelig spinthout heeft waardoor de verbindingen kunnen verzwakken. Eind achttiende eeuw wordt het hout steeds grover van structuur. Het midden van de negentiende eeuw is het hoogtepunt van de Friese schurenbouw. Na 1850 kan er door prijsontwikkeling en/of door veranderende transportmogelijkheden hout van verder en van moeilijker bereikbare hellingen worden gehaald. Dit hout uit Midden- en Noord-Zweden en Finland heeft hele smalle jaarringen. Vanaf 1860 verschijnen ook de eerste schuren die met rondhout zijn gebouwd met hetzelfde fijne hout. Tegen 1890 worden de kleinere schuren met rondhout en de grotere schuren met Amerikaans grenen gebouwd. Rond de Tweede Wereld oorlog komt er een einde aan de Friese schurenbouw.

 

Paul Borghaerts (c) december 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra Lollum

Een reactie op Kantrechten van bomen

  1. Jacob van der Vaart schreef:

    Een heel helder en instructief verhaal. Dank je wel.
    Na het lezen van dit stuk ga ik met andere ogen naar “de byntwurken en it hout dat dêr yn sit” kijken.
    De manier waarop het hout is gekantrecht kan ons meteen al iets leren over de ouderdom.

Geef een reactie