Dendrochronologisch onderzoek, Update 7-8-2017

Update 7 augustus 2017

Een goed gefundeerd onderzoek van gebouwen in hun historische context is niet mogelijk zonder een gedegen dendrochronologisch onderzoek.

Dendrochronologie, ofwel hout-tijd-kunde, neemt de jaarringen van het hout als uitgangspunt. Jaarringen hebben bepaalde patronen, die onder andere ontstaan onder invloed van het weer. In geen enkel jaar is het weer precies gelijk. Er zijn altijd verschillen tussen de hoeveelheid regen, zon en de temperatuur. Dat is terug te vinden in de jaarringen die naar de omstandigheden breder of smaller kunnen worden. Omdat weersystemen grote oppervlakten bestrijken laten bomen die niet al te ver van elkaar afstaan een vergelijkbaar patroon in de jaarringen laten zien. Dit is het basis gegeven voor de dendrochronologie.

Stalen vergelijken tegen een referentie met Cdendro

Kalender  
Je kunt van een boom van bijvoorbeeld 300 jaar oud die dit jaar is gerooid, een “kalender” maken door alle jaarringen in te meten. De laatste jaarring vertegenwoordigt dan het huidige jaar. Een andere, kortere houtstaal met hetzelfde jaarringenpatroon kun je naast die kalender leggen. Als de kalender bijvoorbeeld 100 jaarringen meer heeft dan weet je dat de laatste jaarring van de korte staal 100 jaar geleden gevormd moet zijn.

Dendrochronologie is dus het vergelijken van het jaarringenpatroon van houtstalen tegen andere houtstalen of tegen kalenders waarvan je de jaartallen weet. Om goed te kunnen dateren heb je veel kalenders uit veel verschillende gebieden van verschillende houtsoorten nodig.

Hier is meteen ook mee gezegd wat de grootste moeilijkheid is van de dendrochronologie. Waar haal je al die kalenders met de jaarring gegevens van de verschillende gebieden en verschillende houtsoorten vandaan?

Over de eeuwen is er een globale ontwikkeling te zien waarlangs de eerst nog eenvoudige Friese boerderijen zich hebben ontwikkeld tot de reusachtige gebouwen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Verschillende tussenvormen zijn alleen in een bepaalde korte periode gebouwd en andere bouwvormen heel lang en soms gelijktijdig met andere vormen. Het is daarom, ook na bestudering van veel boerderijen, in een aantal gevallen niet mogelijk om op het oog nauwkeurig te kunnen zeggen hoe oud het houtwerk is. Bovendien als er binten bijgeplaatst zijn om de boerderij te vergroten dan is het interessant om de verschillende bouwfasen goed te kunnen dateren. Wanneer is de boerderij gebouwd en wanneer is deze ingrijpend van vorm veranderd? Zonder dendrochronologische dateringen is dit niet met zekerheid te zeggen.

Duizenden bomen
Nagenoeg al het grenenhout dat in Friesland, maar ook in Noord-Holland en Groningen voor de bouw van boerderijen is gebruikt, is afkomstig uit Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten, Polen en Duitsland. Vooral Friese schippers waren betrokken bij het vervoer. Ze brachten het hout ook naar Engeland en Frankrijk en een hele grote afnemer was de V.O.C. voor de scheepsbouw. Er waren duizenden bomen nodig voor de bouw van één schip. Dat zegt wat over de omvang van de transporten.
Het mooie is dat voor de boerderijenbouw het meeste zware hout alleen maar werd gekantrecht. Er werd dan met een bijl en een baardaaks aan vier kanten van de boomstam het schaaldeel afgehakt. Op de hoeken van het hout is soms de buitenkant van de boom nog net te zien, de “wan” genaamd. Voor de huizen- en scheepsbouw werden de bomen verzaagd tot handzamer timmerhout. Dat betekent dat het hout, dat hier in het noorden in de boerderijen kan worden gevonden, bij uitstek geschikt is voor dendrochronologisch onderzoek. Het zijn nagenoeg nog de volledige, alleen maar gekantrechte, stammen. De kennis die daar uit voortkomt, is niet alleen relevant voor Friesland zelf, maar is ook heel belangrijk voor onderzoekers in de steden zoals Amsterdam en de rest van het noorden van Nederland en voor onderzoekers die zich met de vroegere houten scheepsbouw bezighouden zoals van de V.O.C.

Om zinnig vergelijkend onderzoek te doen, moet je veel gebouwen onderzoeken
In het begin van mijn onderzoek zijn er, met ondersteuning van de Boerderijen Sichting Fryslân en onder leiding van Odwin Ralling, 60 stalen van 15 boerderijen geboord en naar het laboratorium van de dendrochronoloog Pressler in Duitsland gestuurd. Pressler kon niet heel veel van de stalen zelf dateren en stuurde de inmeetgegevens door naar het Deutches Archäologisches Institut. Ook toen werden er in totaal minder dan 25 stalen gedateerd en daarvan 10 met een grote mate van onzekerheid. Dit was een kostbare aangelegenheid met een mager resultaat. De oorzaak is, dat tot dusverre de laboratoria vooral eikenhout hebben gedateerd.  Grenenhout heeft zijn eigen herkomstgebieden en kan niet met kalenders voor eikenhout worden gedateerd.

Inmiddels heb ik (augustus 2017) van 147 gebouwen boorstalen afgenomen. Ruim 1100 stalen  in totaal waarvan de meerderheid, 600,  van grenenhout, 200 van vurenhout en 300 van eikenhout.

Samenwerking
Dendrochronologie wordt hoofdzakelijk gedaan door universiteiten zoals die van Utrecht of  van Lund in Zweden, en door zelfstandig werkende dendrochronologische bureaus. Hoe meer een dendrochronoloog kan dateren, hoe meer klanten gebruik zullen maken van zijn diensten. Het is dus heel goed te begrijpen dat men binnen de dendrochronologische wereld zijn kalenders niet zomaar publiceert. Dat maakt samenwerking binnen de dendrochronologie niet gemakkelijk. Mijn ervaring is dat men graag voor anderen dateert, maar beslist het referentiemateriaal, de kalenders en de inmeetgegevens niet uit handen geeft. Die vormen immers in zekere zin het bedrijfskapitaal.  Daardoor is er echter geen controleerbaar bewijs hoe de datering tot stand is gekomen. Er is geen enkele mogelijkheid om de datering door een ander te laten verifiëren. De stalen worden meestal niet geretourneerd en zijn daarmee verloren voor nader onderzoek in de toekomst. Deze manier van werkenstrookt niet met het wetenscghappelijke ideaal van controleerbaarheid en doet het vak ook geen goed.
Wat anderen hier over schrijven

Data-analyse
Gezien de veelheid aan boerderijen en stadspanden die hier in Friesland staan en het enorm grote herkomstgebied van het hout vormt Friesland een grote bron van stalenmateriaal voor dendrochronologisch onderzoek. Het herkomstgebied is, voor één derde van het eikenhout van voor 1650, Zuid-Duitsland. Verder komt het hout (eiken, grenen, vuren en dennen), zoals al eerder gezegd, uit de landen rond de Oostzee; Noorwegen, Zweden, Finland, Rusland, de Baltische Staten, Polen en een stukje Oost-Duitsland. Het lijkt er sterk op dat via de invoerhavens zoals Harlingen en Hindeloopen voornamelijk op bepaalde havens rond de Oostzee werd gevaren waar men handelsovereenkomsten mee had of waar men zelfs eigen handelskantoren had. Het is bekend dat 80% van de schippers die Narva verlieten met hout afkomstig waren uit Hindeloopen. Over de eeuwen verschuiven die “favoriete” herkomsthavens van het hout.  De kalenders die uit het Friese hout kunnen worden samengesteld zijn daardoor beter geschikt om Fries hout mee te dateren dan de meer algemene kalenders. Het meeste hout is inmiddels al goed te dateren. Moeilijk blijft het grenen en vurenhout dat uit het enorme achterland van Rusland via havens als Narva naar Nederland kwam. Dit is in de dendrochronologie nog een onontgonnen gebied. Juist omdat er van dit hout nog zoveel te vinden is in Friesland biedt dat een grote kans om ook hier goede kalenders voor te maken.

Cultuurhistorische schatkamer
De medewerking aan het onderzoek vanuit de eigenaren van de onderzochte boerderijen (en inmiddels ook stadspanden) is enorm en hartverwarmend. Het gaat om belangrijk Fries cultureel-historisch erfgoed en de eigenaren voelen zich daar vrijwel zonder uitzondering erg bij betrokken. Zij leven immers in die monumentale “kathedralen in het landschap”. Door die geweldige medewerking en interesse van de eigenaren kan ik veel gebouwen onderzoeken en een groot bestand aan stalenmateriaal, foto’s en meetgegevens opbouwen. Belangrijk is echter dat het stalenmateriaal in Friesland blijft en toegankelijk voor onderzoek is. Toekomstige onderzoekers kunnen mogelijk dingen aflezen van de stalen, die met de huidige stand van zaken nog niet mogelijk zijn.

Ik heb het voornemen een Stichting “Fries Historisch Bouw Hout”op te richten. De stichting zal zich gaan inzetten voor het verzamelen van houtstalen om zo een ruime database van in Friesland gebruikt bouwhout op te zetten met als één van de doelen om bouwhistorisch onderzoek te ondersteunen. Hierover later meer.

Paul Borghaerts, Easterein, 7 augustus 2017(c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

 

Vurenhout in de boerderijbouw

 

Hierboven is een bintwerk afgebeeld zoals het industrieel gemaakt werd in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het heeft de kenmerkende afgeschuinde hoeken aan de stijlen en het draaghout ligt nagenoeg boven de stijl.  De stijl sluit mooi aan op de afgeschuinde liggerbalk en het zware houtwerk is niet vierkant in doorsnede maar iets rechthoekig, 32 bij 28 cm om precies te zijn. De afstand tussen de stijlen in de breedte van het gebouw zijn tot op de centimeter gelijk.  In de lengte richting staan de binten nooit precies op dezelfde afstand van elkaar maar vanaf de negentiende eeuw staan de linker- en de rechterstijlen wel precies even ver van elkaar af. Van deze bintwerken staan er heel wat in het Greide-gebied van Friesland. Over het algemeen zijn ze van grenenhout gemaakt, hoofdzakelijk uit het midden van Zweden en soms zelfs uit Finland.

Het geheim van het hierboven afgebeelde bintwerk kwam pas bij de inmeting en met name bij de houtanalyse van de boorstalen aan het licht.
Het bintwerk is namelijk gemaakt van vurenhout en niet van grenenhout

Voor de bouw van bintwerken werd in de loop van de tijd gebruik gemaakt van verschillende houtsoorten. Tot 1600 werd alles gebouwd in eikenhout, in de periode 1600-1840 werd hoofdzakelijk grenen gebruikt en incidenteel eiken. In de periode 1840-1890 werden grenen en vuren gebruikt en na 1890 vuren en Amerikaans grenen.

Rond 1600 vond dus de overgang plaats naar het bouwen in grenenhout. Op dit moment heb ik diverse bintwerken in onderzoek waarbij de overgangssituatie van eiken naar grenen hierin bestaat dat de stijlen van eikenhout zijn en de liggende delen en schoren van grenenhout.

Er zijn twee varianten van deze overgangssituatie aan te wijzen.

In de eerste variant waren de eiken stijlen én de liggende grenen delen bij de bouw nieuw. Het grenenhout is dus even oud als het eikenhout. Dergelijke bintwerken zijn gebouwd vanaf 1600 in de overgangsperiode van het volledig in eikenhout bouwen naar het volledig in grenenhout bouwen.

In de tweede variant zijn de eikenhouten stijlen hergebruikt en waren de liggende grenen delen op het moment van de bouw nieuw. Het grenenhout geeft daarmee aan wanneer het gebouw gebouwd is en het eikenhout zegt iets over een eerdere bouwfase, als het hout tenminste van de bouwlocatie afkomstig is. Dit soort composities van hergebruikt eiken en nieuw grenenhout komt voor vanaf 1600 tot wel 1800. Op het moment dat de oude eiken hooischuur werd afgebroken werden de stijlen in het nieuwe gebouw hergebruikt.

QUSP, Quercus, Oak, Eik, Eikenhout

Het oude eikenhout van voor 1600 is helemaal donkerbruin van kleur geworden. Dat komt door het looizuur dat er in eikenhout zit. Dit looizuur beschermt het hout tegen schimmels en insecten. De buitenste spintringen zijn lichter van kleur.

Vóór 1600 komt er geen grenenhout voor (hoewel ik misschien toch iets op het spoor ben); na zestienhonderd komt er nog wel nieuw eikenhout voor, maar dan slechts sporadisch. Eikenhout was namelijk erg duur. In een paar Friese Staten heb ik eikenhout van na 1600 gevonden, zoals in het voorhuis van Oenema State te Wytgaard en Donia State te Spannum. Die zijn in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd met gebruikmaking van eikenhout uit Duitsland. De schuur van Oenema State is in 1848 herbouwd met vurenhout(!) en de schuur van Donia State is inmiddels afgebroken.

PISY, Pinus Silvestris, Scotch Pine, Grove Den, Grenenhout

Grenenhout kenmerkt zich o.a. door de harskanaaltjes die duidelijk in het donkere najaarshout te zien zijn.

Grenenhout komt vanaf 1600 eerst uit Noorwegen en later uit het gebied rond de Oostzee. Het wordt gebruikt tot tegen 1900, wanneer door schaarste het Amerikaans grenen zijn intrede doet.
Grenenhout heeft een duidelijke harslucht, vooral bij zagen en boren. Er is ook een duidelijk kleurverschil tussen het spint en kernhout

Van de 800 verzamelde houtstalen (januari 2017) zijn er ruim 100 van eikenhout. Er zijn eveneens een honderdtal stalen van vurenhout, een paar van zilverspar en tegen de 600 van grenenhout.

Ten opzichte van het grenenhout vormt het vurenhout dus ongeveer 14% van de verzameling. Vurenhout komt vaak voor in de jaagbanden en andere kleinere constructiedelen van de boerderijen en het is na 1840 ook geregeld gebruikt bij boerderijen die verlengd werden met een extra bint. Heel bijzonder was het om maar liefst negen boerderijen te ontdekken die helemaal gebouwd zijn van vurenhout. Opvallend is dat er daarvan alleen al vier rond het dorp Spannum staan! Was het misschien dezelfde aannemer die met vurenhout was gaan werken? De oudste in vurenhout gebouwde schuur is van 1848 en de jongste van na 1900.

Hier blijkt dus uit dat door de schaarste aan grenenhout, die in het midden van de negentiende eeuw ontstond, niet alleen grenenhout uit verder gelegen gebieden werd gehaald maar dat er ook naar vurenhout uitgeweken werd. Dit vurenhout was vaak rondhout!

PCAB, Picea Abies, Norway Spruce, Fijnspar, Vurenhout

ABAL, Abies Alba, Silver Fir, Zilverspar, Dennenhout

Vurenhout kent maar weinig harskanalen en zilverspar zelfs helemaal geen. Vurenhout en zilverspar hebben geen herkenbaar kernhout en bij het bewerken ruikt het hout wat muf.

Sterk verwormde vurenhouten  rondhouten stijl van een dorpsboerderij in Makkum

Het heeft geen enkele zin  vurenhout te kantrechten. Het kantrechten van eiken- en grenenhout gebeurde om het spinthout ervan af te kappen zodat het minder gevoelig werd voor houtworm. Vurenhout heeft geen kernhout en daarom werd het meestal niet gekantrecht en is het in de vorm van (vaak sterk door houtworm aangetast) rondhout herkenbaar.

Op de eerste foto van dit artikel is te zien dat het draaghout van het relatief jonge bintwerk met trekijzers aan de liggerbalk is bevestigd om verder afschuiven te voorkomen. De oorzaak is zonder twijfel het zwakkere vurenhout. Bij een grenen bintwerk van deze leeftijd is zo’n maatregel ondenkbaar.

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

Kantrechten van bomen

 

Kantrechten
Voor het zware constructiehout van de Friese greide- en bouwboerderijen werden eeuwen lang, tot ver in de negentiende eeuw, dikke rechte bomen gekapt. De gevelde stammen werden na het kappen met de hand gekantrecht. Dat wil zeggen dat de bomen met bijl en baardaaks werden ongevormd tot min of meer vierkante balken.

Van de zware balken die zo ontstonden werd het zware bintwerk oftewel het grutbynt,  bestaande uit de de bintstijlen, liggerbalken, korbelen en de draaghouten, gemaakt.

Stijlen en liggerbalken van een bint zijn dus niets anders dan complete boomstammen waar met de hand de schaaldelen vanaf gehaald zijn. Daar kwam vroeger geen zaag aan te pas.

afbeelding2

Eerst werd er een met krijt ingewreven katoenen “spatlijn” in de lengte op het hout strak getrokken. Door die lijn in het midden net als de pees van een boog uit te rekken en los te laten schieten werd er een rechte krijtstreep op het rondhout gezet. Vervolgens werden er met de bijl kepen in de boom gehakt tot precies op die lijn.

afbeelding5

Daarna werd met de baardaaks achteruitlopend het ingekeepte schaaldeel er afgehakt. Door de eerder gezette bijlkepen werd voorkomen dat het hout ging splijten en kon de buitenkant goed recht gehakt worden

 

afbeelding4

Het was een buitengewoon snelle methode om met de bijl en baardaaks een boom te kantrechten. Een vakman kon dat in weinig tijd doen.

 

 

 

 

Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was
Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was

 

Zagen
Alleen voor de  draaghouten, korbelen en soms de jaagbanden werd een met de hand gekantrechte balk, met meestal dezelfde maat als de stijlen, één keer in de lengte doormidden gezaagd.

Ook komt het een enkele keer voor dat de jaagbanden zijn gemaakt van rondhout dat in de lengte doormidden is gezaagd. Meestal zijn de jaagbanden echter gemaakt van wat dunnere stammen (25-30 cm. doorsnee), die licht gekantrecht zijn.

Behalve aan de onderkant van het draaghout, bij de korbelen en soms bij de jaagbanden komen zaagsporen dus nagenoeg niet voor in het bintwerk van de Friese boerderijen van voor 1890. Alleen voor het afkorten van het hout en voor het maken van de verbindingen zal de zaag zijn gebruikt. Soms vind ik fijne zaagsporen op met de hand gekantrecht hout op plekken waar dikke knoesten zitten.

Doorsnede van een boom met de benamingen
stamdoorsnee
A hart van de boom
B kernhout
C spinthout
D cambium
E bast.  Op de foto is onderaan nog maar een klein stukje van de bast te zien.

Kernhout en spinthout vormen samen het xyleem, het hout. De bast wordt ook wel het floeëm genoemd. In het spinthout gaat de sapstroom omhoog en in de bast gaat de sapstroom omlaag. Tussen xyleem en floeëm oftewel tussen hout en bast zit het cambium, een dun vlies dat houtcellen naar binnentoe afzet en bastcellen naar buiten toe.

Het verschil tussen kernhout en spinthout is dat in het kernhout de sapkanalen zijn afgesloten met stoffen die het hout beschermen. Spinthout is gevoelig voor houtworm. Kernhout is veel minder gevoelig voor houtworm of zelfs helemaal niet.

Kantrechten door de eeuwen heen
Het is makkelijker om met gekantrecht hout een constructie met bijvoorbeeld een  pen en gat verbinding te maken. Ondanks dat is het verwijderen van het buitenste wormgevoelige spinthout, zeker bij grenen, altijd de belangrijkste reden om te kantrechten geweest.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.
Het oudste, zestiende-eeuwse eikenhout dat werd gebruikt voor de bintwerken in boerderijen was tweezijdig gekantrecht. Eikenhout heeft gemiddeld maar iets van 25 spintringen. Deze vormen de buitenste één tot twee centimeter van het hout. Het “gat” voor de pen-en-gatverbindingen wordt veel dieper in het hout gekapt dus dat de buitenste centimeter in de loop van de tijd verwormd raakt, heeft nagenoeg geen gevolgen voor de sterkte van de constructie.

Voor grenenhout is dat heel anders. Het spinthout daarvan kan wel vijf tot tien centimeter dik zijn. Verbindingen die in het spinthout zijn gekapt kunnen sterk verzwakken als het dikke spinthout aangetast wordt door houtworm. Vandaar dat kantrechten veel belangrijker is bij grenenhout dan bij eikenhout. En de timmerlieden wisten dat!

Als vanaf 1600 het grenenhout zijn intrede doet worden er eerst nog veel boerderijen gebouwd met tweezijdig gekantrecht hout. Het was timmermanstraditie om dat zo te doen.

2 zijdig gekantrechte stijl met de overstekende liggerbalk
Tweezijdig gekantrechte stijl en liggerbalk. De zijkanten zijn nog duidelijk rond.

Er werd al snel van deze gewoonte afgestapt. Er zijn maar weinig boerderijen te vinden van ná 1700 die nog zo gebouwd zijn. Pas laat in de negentiende eeuw komt het weer voor maar dan uit armoe. Er is dan gewoonweg niet voldoende dik hout meer te krijgen.

In de bouwhoek, waar de boerderijen altijd al groter van opzet waren, werd tweezijdig gekantrecht grenenhout vaker en ook nog langer, wel tot in de achttiende eeuw,  gebruikt. Dit hout is zonder uitzondering op de ronde spintkanten sterk aangetast.

 

diep gekantrecht eikenhout
Diep gekantrecht eikenhout. In grenenhout is de overgang van kernhout naar spinthout minder goed te zien. Duidelijk is te zien dat er alleen nog wat (lichter gekleurd) spinthout op de hoeken zit.

Voor grenenhout is het dus belangrijk dat het diep gekantrecht wordt en met het dikke hout dat in de zeventiende eeuw en achttiende eeuw nog verkrijgbaar was gebeurde dat ook. Er blijft dan alleen nog wat spinthout over op de hoeken.

 

Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is
Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is

Naarmate in de loop van de tijd de bossen rond de Oostzee uitgeput raakten, waren er steeds minder dikke bomen beschikbaar. De dunnere bomen konden niet meer voldoende diep gekantrecht worden met als gevolg dat het spinthout minder diep weggehakt kon worden. Er  bleef daardoor ook spinthout staan op de platte vlakken. Vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw wordt dit een serieus probleem.

dsc_1916Kenmerkend voor het grenenhout uit de eerste helft van de negentiende eeuw is dat het heel grof van structuur is met enorme knoesten en veel spinthout. Het hout is snel gegroeid met brede jaarringen tot gevolg. Brede jaarringen wijzen op een warmer klimaat met gunstigere groeiomstandigheden en daarmee op een niet zuidelijker herkomst gebied.
Dat grove hout is voor fijn timmerwerk totaal ongeschikt maar het dient zijn doel uitstekend voor de boerderijbouw.

dsc_1916bBlijkbaar werden door de houtschaarste ook de minder rechte bomen met veel zware zijtakken gekapt om toch aan de enorme vraag naar hout te kunnen voldoen. Dit hout is vaak moeilijk te dateren omdat er niet genoeg jaarringen zijn om tot een betrouwbare ouderdomsbepaling te kunnen komen.

Een tweede ontwikkeling om de toenemende schaarste van goed grenenhout op te vangen was dat er al vanaf de achttiende eeuw andere houtsoorten dan grenen werden gebruikt voor het zware constructiehout voor boerderijen. In mijn houtstalen-verzameling zit een opmerkelijk hoog aantal vurenhouten stalen. Het is kwalitatief wel een heel ander vurenhout dan het vuren dat we kennen van vandaag de dag. Vurenhouten stijlen en liggerbalken van 150 jaar en ouder zijn over het algemeen wel meer aangetast dan het grenenhout uit dezelfde periode. Ik hoop in de komende tijd een overzicht te maken van de gebruikte houtsoorten in de verschillende perioden en wellicht zal daaruit een relatie met het gebied van herkomst naar voren komen.

Hout uit Midden Zweden en Finland
Tegen het midden van de negentiende eeuw valt er een sterke verandering in het gebruikte constructiehout op. Het hout wordt ineens heel erg fijn van structuur met heel erg veel smalle jaarringen.

Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen
Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen

Ik heb boorstalen uit 1861 met wel 370 jaarringen over 22 cm. Ik heb het idee, maar dat is nog maar een aanname, dat de houtprijs door de schaarste omhoog ging of dat de transportmogelijkheden verbeterden, want het hout komt bijna zonder uitzondering uit veel noordelijker gelegen gebieden. Midden- en Noord-Zweden en Finland. Blijkbaar konden er in die tijd verder en hoger gelegen bosgebieden winstgevend geëxploiteerd worden. Tegen 1900 raakt blijkbaar ook dit fijne hout op. Of in ieder geval raakt het dikke hout uit dit gebied op.

DSC_6816Er was, naar mijn stellige indruk, in de tweede helft van de negentiende eeuw ergens in het westen van Friesland  een grote timmerwerf betrokken bij het  pre-fab produceren van bintwerken. Bij veel boerderijen zijn de bintwerken op precies dezelfde wijze gebouwd. Kenmerkend is het fijne noordelijke grenenhout, de rechthoekige stijlen, 31 bij 28 cm., en de afgeschuinde hoeken. Bintwerken werden al vroeg, zeker al in de zeventiende eeuw, op een timmerwerf voorbereid en dan in delen naar de bouwplaats vervoerd om daar in elkaar te worden gezet. In de negentiende eeuw gebeurt dat al op industriële schaal.

Vanaf 1890 zijn er twee ontwikkelingen zichtbaar:

Rondhout
Voor de kleinere gebouwen komt het gebruik van rondhout in zwang. Er zijn al enkele met rondhout gebouwde bintwerken in boerderijen te vinden vanaf 1860, maar na 1890 verschijnen er ineens overal boerderijen waarbij het hout, net als in de zestiende en zeventiende eeuw, alleen maar tweezijdig gekantrecht is of vaak zelfs dat niet. Vaak is er aan de vier kanten van het relatief dunne rondhout alleen maar een plat vlak geschaafd. Opvallend is wel dat dat rondhout vaak dezelfde fijne structuur heeft als het hout van de boerderijen van na 1850 met nog wel gekantrecht hout. Waarschijnlijk waren ook in het noorden van het Oostzee gebied, Noord-Zweden en Finland, de zware bomen die goed gekantrecht konden worden op en moest men genoegen nemen met minder dikke bomen die alleen nog maar tweezijdig of zelfs helemaal niet meer gekantrecht konden worden.

Sterk verwormde vuren stijl van een dorpsboerderij in Makkum

De meeste kleinere boerderijen worden vanaf 1890 met rondhout gebouwd, met name in de zuidwest hoek van Friesland. In de vele kleine “koemelkers-boerderijtjes” die dan gebouwd worden is dit rondhout terug te vinden. Die kleine stelp boerderijtjes zijn te herkennen aan de relatief hoge zijmuren met een stijl dak. Tegen 1890-1900 stopten de boeren met de eigen boterbereiding en werd de melk aan de melkfabriek geleverd.  Het lijkt erop dat, nu de boterbereiding aan de melkfabriek werd overgelaten, een heleboel kleine grondeigenaren en koemelkers ook melk aan de melkfabriek gingen leveren. Het rondhout in deze kleine boerderijen, met al het spinthout er nog aan, is meestal al flink verwormd.

Amerikaans grenen
Gelijkertijd gaat men rond 1890 Amerikaans grenen gebruiken als constructiehout voor de grotere bintwerken. Het is te herkennen omdat het vrijwel altijd met een enorme cirkelzaag is gezaagd, waarvan de zaagsporen als halve cirkels op het oppervlak van het hout goed te zien zijn.

Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900
Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900

Het sterke en taaie hout wordt iets minder zwaar gedimensioneerd. Is het constructiehout voor bintwerken rond 1800 nog 33 bij 33 cm, na 1890 is het Amerikaans grenen hooguit 30 bij 30 cm en meestal 27 bij 27 cm en altijd vierkant in doorsnede! Het is een onvoorstelbaar harde en duurzame houtsoort waar nu, ook na ruim honderd jaar zelden iets aan mankeert. Het is door dit hout dat de gedachte in Friesland leeft dat je een spijker niet in een bint kunt slaan.

Vee in de schuur
Schaalvergroting is van alle tijden. Een voor de boerderijen niet erg gunstige ontwikkeling is geweest dat men vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ook vee op het schuurpad en in de gollen gaat stallen. De veestallingen in het klein en groot “bûthús” waren van oudsher van de gollen en de verdere schuur afgesloten, maar nu kunnen de warmte en het vocht geproduceerd door het vee door de hele schuur trekken. Dit is bij deze boerderijen vandaag de dag nog herkenbaar aan een wat zwartig uitgeslagen houtwerk en riet. Houtworm houdt van spint, warmte en vocht. De boerderijen waar  vee in de open schuurruimte heeft gestaan zien er vaak vies en aangetast uit en zijn dan ook vaak niet meer in een beste staat.

Wateren van hout
Het hout voor de schuurconstructie’s werd niet gewaterd. Wateren wordt gedaan door hout een lange tijd onder water te leggen zodat het hout kan uitspoelen. Dat heeft alleen zin bij hout dat verwerkt gaat worden tot planken en ander timmerhout dat niet krom mag trekken. Als een stam in zijn geheel wordt gebruikt blijft de “spanning” in het hout opgesloten. Wateren heeft dan geen enkele zin. Ook drogen heeft geen zin. Het drogen gebeurt normaal gesproken in een beluchte kapschuur en dat is precies wat een boerenschuur is! Eikenhout wordt overigens door het drogen ook nog eens keihard en moeilijk bewerkbaar.

Samenvattend

Eikenhout wordt als constructie hout gebruikt tot 1600 en enkel nog sporadisch daarna. Grenenhout komt vóór 1600 niet voor. Het eikenhout werd tweezijdig gekantrecht. Na 1600 neemt de gewoonte om tweezijdig te kantrechten af, mede doordat grenenhout een dikkere laag wormgevoelig spinthout heeft waardoor de verbindingen kunnen verzwakken. Eind achttiende eeuw wordt het hout steeds grover van structuur. Het midden van de negentiende eeuw is het hoogtepunt van de Friese schurenbouw. Na 1850 kan er door prijsontwikkeling en/of door veranderende transportmogelijkheden hout van verder en van moeilijker bereikbare hellingen worden gehaald. Dit hout uit Midden- en Noord-Zweden en Finland heeft hele smalle jaarringen. Vanaf 1860 verschijnen ook de eerste schuren die met rondhout zijn gebouwd met hetzelfde fijne hout. Tegen 1890 worden de kleinere schuren met rondhout en de grotere schuren met Amerikaans grenen gebouwd. Rond de Tweede Wereld oorlog komt er een einde aan de Friese schurenbouw.

 

Paul Borghaerts (c) december 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra Lollum

Zijn de eiken krommers in het dakspant van “De Honderd” afkomstig van een schip?

"De Honderd" Klooster Anjum 7 van Bertus Klaver en Anneke Soepboer te Berlikum.
“De Honderd” Klooster Anjum 7 van Bertus Klaver en Anneke Soepboer te Berlikum.

De Honderd, zoals de bovenstaande voormalige boerderij heet, is historisch een erg belangrijk gebouw. Het komt al voor in een beschrijving uit het jaar 839! Lange tijd was het een raadsel waar het gebouw precies lag maar het lukte de onderzoeker Douwe van der Meer de exacte locatie te bepalen aan de hand van beschrijvingen en kaartmateriaal.

Kaart van "De Honderd" in 1651. Bron Trésoar. Het kaartje is een opmeet tekening gemaakt in opdracht van de Amsterdamse burger Jonkheer Hans Nijs. De bewoner was de weduwe van wijlen Gorit Nannis. De zate was ruim 86 pondemate groot. (27 hectare).
Kaart van “De Honderd” in 1651. Bron Tresoar. Het kaartje is een opmeet-tekening gemaakt in opdracht van de Amsterdamse burger Jonkheer Hans Nijs. De bewoner was de weduwe van wijlen Gorit Nannis. De zate was ruim 86 pondemate groot. (27 hectare).

In 839 heeft Lodewijk de Vrome goederen in het Friese Westergo geschonken aan een Gerulf, onder meer in villa Cammingehunderi. Er zijn in de negentiende en twintigste eeuw voortdurend pogingen gedaan deze villa thuis te brengen. De ‘Fryske Akademy’ heeft namelijk een vrij omvangrijke ‘Skiednis fan Menameradiel’ uitgegeven. In dit boek heeft Van Der Meer een korte, maar belangrijke studie geschreven over de vlak bij elkaar gelegen boerderijen Kamminga en Hundert. Deze behoorden in de Middeleeuwen tot het bezit van het naburige klooster Anjum ten noordoosten van Franeker gelegen, maar nog net in Menaldumadeel. Het ziet er naar uit dat hiermee de villa is teruggevonden die Lodewijk de Vrome in 839 geschonken heeft en die later onder andere tot het bezit van het klooster Corvei bij Fulda heeft behoord.

Geschiedenis van en zoektocht naar de locatie van “De Honderd”
https://nl.wikipedia.org/wiki/Villa_Cammingehunderi
De Honderd had meerdere Amsterdamse eigenaren
Zoektocht naar De Honderd
Over het Klooster Anjum waar de Honderd eeuwenlang toe behoorde

Over De Honderd is al heel erg veel geschreven. Veel over de ligging en de historie is inmiddels goed uitgezocht maar er zijn ook nog een aantal onbewezen verhalen die de ronde doen:

Zo zou het huidige gebouw, een voormalige boerderij, zijn gebouwd rond 1580 met een dikke hergebruikte middeleeuwse eiken balk van wel 14 meter in de lengte van het gebouw. De eiken krommers van het dakspant zouden hergebruikte krommers van een schip zijn. Het dak zou rusten op een dubbel gestapeld laat-gotisch eiken spant. Het huis zou staan op de plek van de vroegere boerderij. Enz. enz.

In het voorjaar van 2016 werd ik benaderd door Anneke Soepboer en haar man Bertus Klaver, de huidige eigenaren van De Honderd, met de vraag of er iets van alle aannamen over de ouderdom van het gebouw bevestigd zou kunnen worden door dendrochronologisch onderzoek.

Het was bij binnenkomst al snel duidelijk dat het houtwerk van De Honderd een samenstelling is van verschillende bouwfasen. Dat wil zeggen dat het gebouw niet in één keer is neergezet maar dat er over de tijd flink verbouwd en/of aangebouwd is. SAMSUNG CSCDat is niet ongebruikelijk.     Een zolderbalk in de woonkamer laat nog duidelijk het gat zien van een stijl die er ooit onder gestaan moet hebben. Ook de gaten van de toognagels zijn nog te zien. Op de plek waar de balk nu ligt kan nooit een stijl hebben gestaan. De balk komt óf ergens anders vandaan óf komt uit een eerdere bouwfase van het gebouw zelf en is dus hergebruikt.

SAMSUNG CSCIn de lengte van de woning ligt inderdaad die eerder genoemde lange zware bruine balk.

Alleen is het geen eiken- maar een grenenhouten balk en zo te zien samengesteld uit twee balken achter elkaar. Een wonderlijke plek om een zware balk te leggen, maar bij nadere beschouwing toch niet zo vreemd.

 

SAMSUNG CSC
Op de zolder is het feest! Werkelijk uniek! Het is inderdaad een gestapeld spant met eiken krommers in een uitstekende conditie. Alle krommers zijn er nog, veertien in getal! Van het spant zijn alleen de krommers van eikenhout. De korbelen de hanenbalken, de gordingen en het bovenste deel van het gestapelde spant is  van grenenhout.

De eiken krommers laten geen sporen zien van hergebruik. Ze zijn overduidelijk voor deze toepassing gemaakt en komen dus niet uit een schip. Krommers werden veel gebruikt in de scheepsbouw dus het ligt wel voor de hand te denken dat ze uit een schip afkomstig zouden zijn, maar dat is hier dus beslist niet het geval. Om spanten te maken voor de ronde zijkanten van schepen werden kromme bomen gebruikt. Het was een hele industrie bomen met opzet krom te trekken en in die stand te laten groeien en ze dan te verwerken voor de scheepsbouw en huizenbouw.

SAMSUNG CSCAan één kant is de muur nog hoog opgetrokken. Het spantbeen, de krommer, is met het blokkeel verbonden met de muur. (hier niet zichtbaar)

SAMSUNG CSCAan de andere kant zitten de blokkelen nog wel aan het spantbeen maar de muur waar ze ooit in gezeten moeten hebben is er niet meer. Het dak is wat verder naar buiten gebracht en rust nu op een veel lagere muur.

 

 

SAMSUNG CSC
Het gebouw heeft nu drie beuken. Vroeger was er alleen het middelste deel. De hoge middenbeuk had oorspronkelijk links en rechts een hoge muur waarvan de muurplaat via het blokkeel was verbonden met de spantbenen. De spantbenen, de krommers, staan op de zolderbalken. Zoals het nu is, is aan één kant de muur verwijderd en vervangen door de lange dikke grenenbalk in de lengte van het gebouw. De zolderbalken liggen nu aan één kant nog in de muur en aan de andere kant liggen ze op de zware grenen balk. Naar beide kanten is er later een zijbeuk gevormd door het dak van de middenbeuk door te trekken naar de lage zijmuren van het gebouw.

Eerst maar eens wat feiten.
Als eerste heb ik twee boorstalen van de lange grenen balk afgenomen. Dat is de balk waar nu aan één kant de krommers op staan. Op de zolder kon ik aan de achterkant van de balk komen en ik hoefde dus geen zichtschade in de huiskamer te maken. De wankant, de laatste jaarring was er nog.

Grenenhout gedateerd met Cdendro met een CC van 0,63 en een TT waarde van 10,9 door Paul Borghaerts. Het hout komt uit het gebied van Mälardalen in Zweden. Het is geveld in de winter van 1635-36.
Grenenhout gedateerd met Cdendro met een CC van 0,63 en een TT waarde van 10,9 door Paul Borghaerts. Het hout komt uit het gebied van Mälardalen in Zweden. Het is geveld in de winter van 1635-36.

Van de vier boorstalen van de eiken krommers heeft staal FR11403 zelfs nog een wan. Daarmee staat vast dat de boom in de winter van 1637-38 is gekapt. Helemaal opmerkelijk is het dat men om de krommers te maken de kromme boom in vieren heeft gezaagd. De stalen FR11403 en 5 komen uit dezelfde stam en zaten dus ooit tegen elkaar aan. Het eikenhout komt uit Noord Duitsland.

Gedateerd op 1637 met Cdendro. Paul Borghaerts
Gedateerd op 1637 met Cdendro. Paul Borghaerts

De hergebruikte eiken zolderbalk in de woonkamer  heeft geen wankant maar de spintgrens met nog twaalf spintringen zit er wel aan. De laatste jaarring is van 1511. Er van uitgaande dat dit soort eikenboom gemiddeld 20 spintringen heeft  is het jaar waarin de boom is geveld 1520 plus of min 5 jaar. Dus tussen 1515 en 1525 is de boom gekapt. Zoals reeds vermeld is het niet aantoonbaar dat deze hergebruikte balk uit het pand zelf afkomstig is maar het kan wel. Het hout is overigens afkomstig uit Noorwegen.

 

schermopname-21
In 1651 is op de inmeet tekening een voorhuis met een schuur afgebeeld. Het is even goed kijken maar vooraan rechts voor de schuur staat een smal voorhuisje. (Niet het huisje dat aan de achterkant te zien is!)

Samenvattend

Dit voorhuisje op de tekening is het middelste deel van het huidige gebouw. De krommers zijn van voor 1651; uit 1636-37 om precies te zijn, dus nog van voordat de tekening van het huisje werd gemaakt. Het ziet ernaar uit dat de schuur op een gegeven moment is afgebroken en het ligt voor de hand aan te nemen dat op dat moment het huisje werd verbreed naar twee kanten. Aan één kant van het huisje kwam een aflegering en aan de andere kant werd de muur weggehaald en werden de krommers van het dakspant opgevangen met een lange balk. Het dak werd aan die kant ook nog iets meer naar buiten gebracht. Omdat de lange balk uit de zelfde tijd stamt als de krommers is hety goed mogelijk dat de lange balk een hergebruikte balk is uit de afgebroken schuur. Het is hoogst waarschijnlijk dat het oude voorhuisje  er dus in gewijzigde vorm nog steeds staat! Of de hergebruikte eiken zolderbalk afkomstig is uit de voorganger van dit huisje is op geen enkele manier aan te tonen. Als dat wel het geval is dan was de voorganger van dit huisje al uit de periode 1515-25. Leuk om over te dromen maar verder niet te onderbouwen.

(c) Paul Borghaerts november 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra Lollum

 

 

 

Hergebruik 1. Het toevoegen van een extra bint.

 

De oudste Friese schuren die in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstonden hadden drie binten met daartussen de twee gollen, de twee hooivakken.

Opgestapeld hooi in de "Golle". Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooit los opgestapeld tot aan het dak.
Opgestapeld hooi in de “Golle”. Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooi los opgestapeld tot aan het dak.

Schuren met drie en vier hooivakken, oftewel met vier of vijf en soms zelfs wel zes binten, zijn in het greidegebied, het veeteeltgebied van Friesland, meestal een latere vergroting van een al bestaand gebouw. Er werd een bint bijgeplaatst en daarmee werd de hooiopslag met de extra golle die dan ontstond flink vergroot.

 

De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.
De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.

De binten van de oude schuren staan gemiddeld ruim zes meter van elkaar.  Het naast de gollen in de lengte van het gebouw liggende groot-buitenhuis, de stalling van het melkvee, werd door het bijplaatsen van een extra bint ook ruim zes meter langer en er konden dan twee of drie extra stallen worden geplaatst. Vaak werd dit extra bint nog veel verder geplaatst, wel tot 7,5 meter om nog meer extra ruimte te krijgen. Met twee melkkoeien per stal konden er dus vier tot zes melkkoeien meer gestald worden. Ten opzichte van de oude situatie was dat wel 25-30 procent ruimte winst!

Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.
Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.

Uit de bovenstaande plattegrond valt op te maken dat de 8 vak lange schuur van Galema te Burgwerd in de nieuwe situatie 10,5 vak lang is geworden.

De grote verbouwing van de schuur was een goed moment om het bedrijfs- en woongedeelte van het gebouw nog eens goed te bezien. Meestal werd voor de verbouwing het achterdak verwijderd en werd het extra bint aan de achterkant geplaatst.  Het kwam ook voor dat er juist aan de voorkant een bint werd bijgeplaatst. Dan moest niet alleen het voordak verwijderd worden maar ook het hele voorhuis of in ieder geval de hals! Bij verschillende kop-romp boerderijen is de hals verdwenen door het naar voren vergroten van de schuur.  Het naar voren verlengen van de schuur gaf meteen de mogelijkheid om het gebouw, indien gewenst, om te vormen tot een stelp of om het nieuwe voorhuis voor of zelfs achter de schuur te zetten. De richting van het gebouw werd dan gekeerd.  Dit soort veranderingen kwam erg veel voor.

 Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Mijn schatting is dat zeker tien tot twintig procent van de schuren in Friesland is verlengd. Ze zijn te herkennen aan een lage lange rug.  Het oude, en in feite hergebruikte bintwerk was nog niet zo hoog,  maximaal 12 meter in de nok. Dit type Friese schuur betitel ik als de ‘lage lange rug’.  Daartegenover staan de negentiende eeuwse schuren met een hoog lang dak. Men dient zich goed te realiseren, dat deze in één keer zo zijn gebouwd. Na achtienhonderd worden de gebintstijlen van de nieuwgebouwde schuren veel langer. De nokhoogte loopt daardoor tegen het midden van de negentiende eeuw op tot wel 14! meter.

Hoge Lange Rug met steile dakhelling
Hoge Lange Rug met steile dakhelling

Dit type schuren met een hoge en lange rug noem ik “de hoge lange rug” Geen mooie benaming maar de vlag dekt de lading heel goed. De lage lange rug is een verlengd oud gebouw uit de zeventiende en achtiende eeuw en de hoge lange rug is in die vorm nieuwgebouwd in de negentiende eeuw.  De “lage lange rug” heeft als onderscheiden kenmerk meestal een flauwe dakhelling, 51 graden op het voor en achterdak en 44 graden op de zijvlakken. Bij de hoge lange rug zijn het voor en achterdak rond de 58 graden en de grote zijvlakken rond de 48 graden. De twee zijvlakken van de Friese schuren hebben zelden dezelfde hellingshoek. Meestal is de kant van de veestalling flauwer om meer breedte te kunnen krijgen over de veestalling.

De oude schuren konden ook op een wat simpelere maar niet minder ingrijpende manier worden vergroot. Het achter en/of voordak moest er dan af maar dan werd er geen bint bijgeplaatst. In plaats daarvan werd de oversteek van de draaghouten zodanig vergroot dat de schuur langer werd. Het spreekt voor zich dat door het grotere en dus zwaardere dak de druk op de buitenste bintstijlen flink werd verhoogd.

Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning in de boerderij van Hylkema te Reduzum
Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning op de hoek. Het totale achterdak rust op een paar dunne rondhouten palen!

Vaak zie je dan dat er een extra steunpaal onder de uiteinden van de ver overstekende draaghouten werd gezet. Er werden ook schuren gebouwd die al bij de nieuwbouw een grote oversteek van het draaghout voor en achter hadden. Deze schuren konden dan met drie in plaats van met vier binten gebouwd worden wat een stuk goedkoper was maar ook aanmerkelijk minder sterk en duurzaam.

Dit soort omvangrijke verbouwingen was het aangewezen moment om het hele dak te vervangen. Het houtwerk van de dakvlakken gaat het minst lang mee, hooguit iets van 100 tot 150 jaar. De draaghouten houden het langer vol en de binten kunnen, mits het schuurdak goed dicht word gehouden, eeuwen en eeuwen mee. Heel veel boerderijen hebben dus nog wel de originele binten maar de draaghouten en het hele dakvlak is al eens, of zelfs vaker, vernieuwd.

Schuren met een bijgeplaatst bint zijn erg interessant voor het onderzoek. De oude binten geven informatie over het oprichtingsjaar van de schuur, en het toegevoegde bint zegt iets over de uitbreidingsfase van het gebouw.

fr09100
Deze stalen, afgenomen van de boerderij van Galema te Burgwerd, geven een mooie onderbouwing van het verhaal over de verlenging van deze boerderij. Op de gevel staat dat het gebouw oorspronkelijk is gebouwd in 1863 en van de foto van de verlenging van het gebouw is bekend dat dat in 1925 heeft plaatsgevonden. De stalen met de nummers 9105 en 9106 horen bij die verlenging. Ze dateren van de winter van 1923-24. De andere stalen horen bij de bouw uit 1863 en ze dateren van de winter van 1861-62.

Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).
Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).

Er gaat het verhaal dat de boerderij van Galema in 1863 werd gebouwd met het materiaal van een andere afgebroken schuur en dat de boerderij in zijn geheel zou zijn verplaatst. Die theorie wordt nergens door bevestigd. Het oorspronkelijke gebouw is gebouwd met rondhouten stijlen. Voor 1860 kwam dat nagenoeg niet voor.  Het zou kunnen zijn dat er wat kleiner timmerhout uit een eerdere boerderij is gebruikt maar het grote bintwerk is zonder twijfel in 1863 met nieuw hout opgericht, volgens de dendrochronologische dateringen van de stalen uit de winter van 1861-62.

Het is altijd interessant om na te gaan of er rond de tijd van de vergroting van het gebouw een nieuwe eigenaar is gekomen of dat er grote veranderingen in het grondbezit plaatsvonden. Vaak is dat zo.

De komst van een nieuwe eigenaar of een grote erfenis of belangrijke grondaankopen kunnen allemaal de aanleiding zijn voor het bouwen van een nieuwe schuur of voor het vergroten van een al bestaande schuur.

In een gebouw met een toegevoegd bint bevinden zich bouwhistorisch eigenlijk twee gebouwen: dat van de oude en dat van de nieuwe situatie. Ik probeer altijd ook de afmetingen van de oude situatie terug te vinden en in de statistieken voer ik het gebouw twee maal in met de verschillende maten.

Waarom moesten zoveel schuren vergroot worden? Het ligt voor de hand om aan te nemen dat dit kwam doordat het land van verschillende boerderijen samengevoegd werd. Er werden ook al in de 16e en 17e eeuw boerderijen afgebroken. Ook toen werd er al land verdeeld onder de naastliggende boerderijen. Schaalvergroting is iets van alle tijden. Een andere, en misschien wel de belangrijkste reden om de boerenschuren te vergroten is gelegen in het feit dat de hooiopbrengst over de eeuwen sterk toenam. Het hooi moest voor de winter opgeslagen worden en door de hoger wordende hooiopbrengst moest de hooiberging over de eeuwen steeds opnieuw vergroot worden.

Uit archiefstudie en uit de gegevens die naar voren komen uit mijn boerderij metingen heb ik kunnen vaststellen dat er voor elke pondemaat grasland rond 1650 ongeveer tien kubieke meter hooiopslag nodig was.  (Dat dit precies tien kubieke meters zijn is natuurlijk toeval, want de eenheid van de kubieke meter bestond nog helemaal niet.) Rond 1850, twee eeuwen later is er al 16 kubieke meter berging per pondemaat grasland nodig. Dat is 60% meer dan twee eeuwen eerder!  Die toename verliep vrij geleidelijk over de onderzochte periode.

Er moet voor de timmerlieden zoiets als een (met de tijd veranderende) vuistregel zijn geweest over hoe groot de hooiberging moest zijn per pondemaat land. Dat is ook niet meer dan logisch. Het grondareaal en dus ook de grasopbrengst is de meest constante factor in de bedrijfsvoering van een veeteelt boerderij. Meestal blijft het grondareaal van een boerderij lang ongewijzigd. Alleen bij grensverleggingen, bij grondaanwinning of bij het opheffen van naastliggende boerderijen verandert het grondareaal sterk. De meester-timmerlieden, de bouwers én architecten van vroeger, zullen zonder enige twijfel eerst geïnformeerd hebben hoeveel grasland er bij de te bouwen boerderij hoorde.

De hoeveelheid gras bepaalt de afmeting van de daarvoor benodigde hooiopslag. De afmeting van de hooiopslag, de gollen, bepaalt hoe groot het blok van de schuur moest zijn. De hoeveelheid hooi bepaalt het aantal stuks vee dat er kan worden gehouden en hoeveel stallen er moesten komen en het aantal stuks melkvee bepaalde hoeveel kaas er gemaakt kon worden. De Fries greideboerderijen zijn immers oorspronkelijk allemaal kaasfabriekjes geweest! De toename van de benodigde hooiberging per pondemaat is over de eeuwen  zo regelmatig dat het in principe zelfs mogelijk is te zeggen hoe oud een schuur is als je weet hoeveel land er eertijds bij hoorde en hoe groot de hooiberging origineel is.

(c) Paul Borghaerts november 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra

De historische benaming van de houten constructiedelen van “Friese boerderijen”.

A Stijl
B Ligger of liggerbalk
C Korbeel
D Draaghout
E Jaagband
F Nok
G Hanenbalk
H Spantbeen
I Dakgording

    • Stijl, liggerbalk en korbeel (A, B en C ) vormen samen een bint.
    • De spantbenen met de hanenbalken (G en H) vormen samen het spant, ook wel het “A-frame” genoemd.
    • De draaghouten liggen in de lengterichting van de boerderij en verbinden de binten. De draaghouten dragen het dak van de schuur.
    • De binten met de draaghouten vormen samen “het blok”van de schuur; een kubus met daarop het dak van de schuur en naar vier kanten een aflegering vanaf het draaghout naar de muren. Het grondoppervlak van de kubus vormt de gollen oftewel de hooivakken. De vier aflegeringen zijn: het groot buitenhuis aan de ene zijkant en het schuurpad aan de andere zijkant van de schuur, het kleine buitenhuis aan de achterkant, en als laatste de voorste aflegering waar het karnvertrek en de karnmolen is gelegen. Het voorhuis van een kop-hals-romp boerderij ligt gewoonlijk recht voor het groot buitenhuis.
    • De korbelen zijn de schoren tussen de stijl en de liggerbalk.
    • De jaagbanden zijn de schoren in de lengterichting van het gebouw tussen stijl en draaghout.
Dakvlak gemaakt op de “oude”manier. 4 sparren één juffer met de hanenbalken tussen de juffers. Omdat de juffers op de buitenkant van het draaghout staan wil het draaghout naar buiten kantelen.
Dakvlak gemaakt op de “oude” manier. Vier sparren één juffer met de hanenbalken tussen de juffers. Omdat de juffers op de buitenkant van het draaghout staan wil het draaghout naar buiten kantelen.
    • In de oudste boerderijen werd nog geen “A-frame” gebruikt. Het dakvlak werd gemaakt van “sparren” en “juffers” en gordingen.  Steeds 4 sparren en dan een juffer, dan weer 4 sparren en weer een juffer enz. De sparren zijn de wat dunnere rondhouten van 12-20 cm. doorsnee. De juffers zijn stevige rondhouten van een 15-25 cm. doorsnee.   Elke juffer uit de in de lengte tegenover elkaar liggende dakvlakken werd rechtstreeks met elkaar verbonden door de hanenbalken. De sparren en juffers lagen “zoals dat costume was” op een voet afstand, ongeveer 31 cm. Zodoende komt er elke anderhalve meter een hanenbalk.
    • De stijlen staan op een Klip of Poer. Een gemetselde stenen fundering.
Constructie van de boerderij van Benny Boschma in Goënga. Dakvlak gemaakt met een "A-frame"dat staat op de binnenkant van de draaghouten.
Constructie van de boerderij van Benny Boschma in Goënga. Dak gemaakt met een “A-frame” dat met de spantbenen  op de binnenkant van de draaghouten staat. Hierdoor kan het draaghout niet naar buiten kantelen.
De bouwtekening is onderdeel van een bestek uit 1709 gemaakt voor de bouw van Monsma te Hennaard. Blijkbaar was een summiere tekening en een bestek met maar 40 artikelen voldoende om een boerderij te kunnen bouwen. Uit de term "zo het costume is", (zoals het gebruikelijk is) terug te vinden in de verslagen van een slepende rechtszaak rond deze bouw, volgt dat er een duidelijke standaard was voor de timmerlieden met betrekking tot het bouwen. Het was costume dat de juffers op één voet afstand lagen en dat er 2 gordingen onder het dakvlak kwamen. Het was ook costume met hoeveel spijkers alles vastgetimmerd moest worden en hoe diep de klippen moesten worden gefundeerd. enz enz.

 

Kleasterdyk 42 Winsum

De kop-hals-romp boerderij van de familie Bouma staat op het vroegere kloosterterrein van Monike Bayum aan de Kleasterwei even ten noordwesten van het Friese dorp Winsum. Op het terrein lag voor de reformatie (in Friesland in 1580) een vrouwenklooster. Lange tijd was er ook nog een tweede, kleinere, boerderij gelegen die alweer lang geleden is afgebroken.

Urn uit de eerste eeuw
Urn uit de eerste eeuw gevonden op het terrein
Schedel uit de tijd van het Nonnenklooster?
Schedel uit de tijd van het Nonnenklooster?

De boerderij vertegenwoordigt een aantal bouwhistorisch belangrijke bouwfasen. De oudste zestiende-eeuwse bouwfase is terug te vinden in het complete eiken spantwerk van het voorhuis en de jongste in de vergroting van het gebouw zoals dat in de negentiende-eeuw moet hebben plaatsgevonden.

schermopname-7Bij bestudering van de kaarten van Schotanus, Eekhoff en de kadasterkaart uit 1832 (Hisgis) wordt duidelijk dat de boerderij exact op de plek ligt waar de vroegere kloosterboerderij moet hebben gelegen. “Kleasterdyk 42 Winsum” verder lezen

Dateringen per september 2016

Van een flink aantal onderzochte boerderijen heeft het dendrochronologisch onderzoek  tot een datering van een of meer stalen geleid. In veel gevallen zijn de uitslagen eenduidig en is het precieze bouwjaar van het onderzochte gebouw vast te stellen. Er zijn ook stalen waarvan het jaartal van de laatste jaarring nu bekend is, maar waarbij er nog jaarringen missen. Dit is met name het geval als de hoeken van de onderzochte balken “afgeschuind” zijn. Dat komt veel voor bij 19e eeuwse gebouwen. Dan kan wél bij benadering iets over de ouderdom van het object worden gezegd. In veel gevallen vertegenwoordigt het onderzochte houtwerk meerdere bouwfasen. Dat wil zeggen dat een constructie bijvoorbeeld verlengd is door er een bint bij te plaatsen of dat het object bestaat uit een samenstelling, een compositie, van oud hout uit bijvoorbeeld een hooischuur die er eerder heeft gestaan en het nieuw toegepaste hout. Het nieuwste hout zegt dan iets over de oprichtingsdatum van de schuur en het oude hout, vaak eiken, zegt iets over de bouwfase daarvoor. Aangenomen natuurlijk dat dat hout wel van dezelfde locatie afkomstig is. Er kunnen dus meerdere belangrijke bouwjaren voor een en hetzelfde gebouw zijn!

Er zijn boerderijen waarvan er nog geen gedateerde stalen zijn. Het kan zijn dat er meer stalen nodig zijn voor een datering óf dat de datering nog niet gedaan is óf dat het met de technische stand van zaken vandaag de dag nog niet mogelijk is het stalenmateriaal te dateren. Het is dus goed mogelijk dat deze boerderijen te zijner tijd wel degelijk alsnog gedateerd kunnen worden.

Dateren van hout is een uiterst secuur en tijdrovend werk. Hoe meer stalen hoe meer kans dat het hout gedateerd kan worden. Inmiddels zijn dat er al ruim 700! Ook met het schrijven van nieuwe programma’s is er de kans om mettertijd meer stalen te kunnen dateren. Het stalenmateriaal zelf is in feite het belangrijkste. Het samenstellen van een dendrotheek, een bibliotheek voor houtstalen, van Friese bouwwerken heeft de hoogste prioriteit. Het is natuurlijk fijn als er nu al e.e.a. gedateerd kan worden maar er zullen in de toekomst nog veel meer dateringen en andere gegevens uit de stalen gehaald kunnen worden. Daarom zal ik mettertijd het stalenmateriaal aan de Friese gemeenschap overdragen zodat dit cultuur-historische erfgoed behouden blijft voor latere onderzoekers. Het idee is om het stalenmateriaal te gaan bewaren in het depot van het landbouwmuseum.

Mijn hobby “documenteren als vorm van behoud” van Friese boerderijen loopt aardig uit de hand. Het kost enorm veel tijd. Ik besteed niet alleen veel tijd aan het afnemen van boorstalen en het meten en fotograferen van gebouwen maar vervolgens moet ik de meetgegevens invoeren, de foto’s naar mappen kopiëren (en back-ups maken!). De stalen inlijmen, doormidden zagen, polijsten en inmeten. De inmeet gegevens invoeren, stalenvergelijkingen maken, adreslijsten bijhouden, afspraken maken, stukjes schrijven voor deze website en soms lezingen geven.  Ik doe dit allemaal met veel plezier maar ik ben me er terdege van bewust dat door het vele werk het communiceren met de boerderij-eigenaren er wat bij inschiet. Vandaar deze weblog. Ik zal hier regelmatig stukjes over het onderzoek op zetten en dateringsresultaten publiceren. U bent natuurlijk ook altijd van harte welkom om contact met mij op te nemen om te overleggen over de stand van zaken betreffende uw boerderij

Paul Borghaerts
Skrok 6 Easterein
Paul@borghaerts.nl

 

Wan of Waldkante, Kern- en Spinthout

De “Wan”, “Wankant” of  “Waldkante” is de buitenkant van een boom onder de schors. Tussen de schors en de stam bevindt zich het cambium, een dun vlies dat de houtcellen en schorscellen maakt. Elk jaar ontstaat er (bij de meeste boomsoorten) een nieuwe jaarring. en de buitenkant daarvan is de Wan. “Wan of Waldkante, Kern- en Spinthout” verder lezen