Dendrochronologisch onderzoek, Update 7-8-2017

Update 7 augustus 2017

Een goed gefundeerd onderzoek van gebouwen in hun historische context is niet mogelijk zonder een gedegen dendrochronologisch onderzoek.

Dendrochronologie, ofwel hout-tijd-kunde, neemt de jaarringen van het hout als uitgangspunt. Jaarringen hebben bepaalde patronen, die onder andere ontstaan onder invloed van het weer. In geen enkel jaar is het weer precies gelijk. Er zijn altijd verschillen tussen de hoeveelheid regen, zon en de temperatuur. Dat is terug te vinden in de jaarringen die naar de omstandigheden breder of smaller kunnen worden. Omdat weersystemen grote oppervlakten bestrijken laten bomen die niet al te ver van elkaar afstaan een vergelijkbaar patroon in de jaarringen laten zien. Dit is het basis gegeven voor de dendrochronologie.

Stalen vergelijken tegen een referentie met Cdendro

Kalender  
Je kunt van een boom van bijvoorbeeld 300 jaar oud die dit jaar is gerooid, een “kalender” maken door alle jaarringen in te meten. De laatste jaarring vertegenwoordigt dan het huidige jaar. Een andere, kortere houtstaal met hetzelfde jaarringenpatroon kun je naast die kalender leggen. Als de kalender bijvoorbeeld 100 jaarringen meer heeft dan weet je dat de laatste jaarring van de korte staal 100 jaar geleden gevormd moet zijn.

Dendrochronologie is dus het vergelijken van het jaarringenpatroon van houtstalen tegen andere houtstalen of tegen kalenders waarvan je de jaartallen weet. Om goed te kunnen dateren heb je veel kalenders uit veel verschillende gebieden van verschillende houtsoorten nodig.

Hier is meteen ook mee gezegd wat de grootste moeilijkheid is van de dendrochronologie. Waar haal je al die kalenders met de jaarring gegevens van de verschillende gebieden en verschillende houtsoorten vandaan?

Over de eeuwen is er een globale ontwikkeling te zien waarlangs de eerst nog eenvoudige Friese boerderijen zich hebben ontwikkeld tot de reusachtige gebouwen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Verschillende tussenvormen zijn alleen in een bepaalde korte periode gebouwd en andere bouwvormen heel lang en soms gelijktijdig met andere vormen. Het is daarom, ook na bestudering van veel boerderijen, in een aantal gevallen niet mogelijk om op het oog nauwkeurig te kunnen zeggen hoe oud het houtwerk is. Bovendien als er binten bijgeplaatst zijn om de boerderij te vergroten dan is het interessant om de verschillende bouwfasen goed te kunnen dateren. Wanneer is de boerderij gebouwd en wanneer is deze ingrijpend van vorm veranderd? Zonder dendrochronologische dateringen is dit niet met zekerheid te zeggen.

Duizenden bomen
Nagenoeg al het grenenhout dat in Friesland, maar ook in Noord-Holland en Groningen voor de bouw van boerderijen is gebruikt, is afkomstig uit Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten, Polen en Duitsland. Vooral Friese schippers waren betrokken bij het vervoer. Ze brachten het hout ook naar Engeland en Frankrijk en een hele grote afnemer was de V.O.C. voor de scheepsbouw. Er waren duizenden bomen nodig voor de bouw van één schip. Dat zegt wat over de omvang van de transporten.
Het mooie is dat voor de boerderijenbouw het meeste zware hout alleen maar werd gekantrecht. Er werd dan met een bijl en een baardaaks aan vier kanten van de boomstam het schaaldeel afgehakt. Op de hoeken van het hout is soms de buitenkant van de boom nog net te zien, de “wan” genaamd. Voor de huizen- en scheepsbouw werden de bomen verzaagd tot handzamer timmerhout. Dat betekent dat het hout, dat hier in het noorden in de boerderijen kan worden gevonden, bij uitstek geschikt is voor dendrochronologisch onderzoek. Het zijn nagenoeg nog de volledige, alleen maar gekantrechte, stammen. De kennis die daar uit voortkomt, is niet alleen relevant voor Friesland zelf, maar is ook heel belangrijk voor onderzoekers in de steden zoals Amsterdam en de rest van het noorden van Nederland en voor onderzoekers die zich met de vroegere houten scheepsbouw bezighouden zoals van de V.O.C.

Om zinnig vergelijkend onderzoek te doen, moet je veel gebouwen onderzoeken
In het begin van mijn onderzoek zijn er, met ondersteuning van de Boerderijen Sichting Fryslân en onder leiding van Odwin Ralling, 60 stalen van 15 boerderijen geboord en naar het laboratorium van de dendrochronoloog Pressler in Duitsland gestuurd. Pressler kon niet heel veel van de stalen zelf dateren en stuurde de inmeetgegevens door naar het Deutches Archäologisches Institut. Ook toen werden er in totaal minder dan 25 stalen gedateerd en daarvan 10 met een grote mate van onzekerheid. Dit was een kostbare aangelegenheid met een mager resultaat. De oorzaak is, dat tot dusverre de laboratoria vooral eikenhout hebben gedateerd.  Grenenhout heeft zijn eigen herkomstgebieden en kan niet met kalenders voor eikenhout worden gedateerd.

Inmiddels heb ik (augustus 2017) van 147 gebouwen boorstalen afgenomen. Ruim 1100 stalen  in totaal waarvan de meerderheid, 600,  van grenenhout, 200 van vurenhout en 300 van eikenhout.

Samenwerking
Dendrochronologie wordt hoofdzakelijk gedaan door universiteiten zoals die van Utrecht of  van Lund in Zweden, en door zelfstandig werkende dendrochronologische bureaus. Hoe meer een dendrochronoloog kan dateren, hoe meer klanten gebruik zullen maken van zijn diensten. Het is dus heel goed te begrijpen dat men binnen de dendrochronologische wereld zijn kalenders niet zomaar publiceert. Dat maakt samenwerking binnen de dendrochronologie niet gemakkelijk. Mijn ervaring is dat men graag voor anderen dateert, maar beslist het referentiemateriaal, de kalenders en de inmeetgegevens niet uit handen geeft. Die vormen immers in zekere zin het bedrijfskapitaal.  Daardoor is er echter geen controleerbaar bewijs hoe de datering tot stand is gekomen. Er is geen enkele mogelijkheid om de datering door een ander te laten verifiëren. De stalen worden meestal niet geretourneerd en zijn daarmee verloren voor nader onderzoek in de toekomst. Deze manier van werkenstrookt niet met het wetenscghappelijke ideaal van controleerbaarheid en doet het vak ook geen goed.
Wat anderen hier over schrijven

Data-analyse
Gezien de veelheid aan boerderijen en stadspanden die hier in Friesland staan en het enorm grote herkomstgebied van het hout vormt Friesland een grote bron van stalenmateriaal voor dendrochronologisch onderzoek. Het herkomstgebied is, voor één derde van het eikenhout van voor 1650, Zuid-Duitsland. Verder komt het hout (eiken, grenen, vuren en dennen), zoals al eerder gezegd, uit de landen rond de Oostzee; Noorwegen, Zweden, Finland, Rusland, de Baltische Staten, Polen en een stukje Oost-Duitsland. Het lijkt er sterk op dat via de invoerhavens zoals Harlingen en Hindeloopen voornamelijk op bepaalde havens rond de Oostzee werd gevaren waar men handelsovereenkomsten mee had of waar men zelfs eigen handelskantoren had. Het is bekend dat 80% van de schippers die Narva verlieten met hout afkomstig waren uit Hindeloopen. Over de eeuwen verschuiven die “favoriete” herkomsthavens van het hout.  De kalenders die uit het Friese hout kunnen worden samengesteld zijn daardoor beter geschikt om Fries hout mee te dateren dan de meer algemene kalenders. Het meeste hout is inmiddels al goed te dateren. Moeilijk blijft het grenen en vurenhout dat uit het enorme achterland van Rusland via havens als Narva naar Nederland kwam. Dit is in de dendrochronologie nog een onontgonnen gebied. Juist omdat er van dit hout nog zoveel te vinden is in Friesland biedt dat een grote kans om ook hier goede kalenders voor te maken.

Cultuurhistorische schatkamer
De medewerking aan het onderzoek vanuit de eigenaren van de onderzochte boerderijen (en inmiddels ook stadspanden) is enorm en hartverwarmend. Het gaat om belangrijk Fries cultureel-historisch erfgoed en de eigenaren voelen zich daar vrijwel zonder uitzondering erg bij betrokken. Zij leven immers in die monumentale “kathedralen in het landschap”. Door die geweldige medewerking en interesse van de eigenaren kan ik veel gebouwen onderzoeken en een groot bestand aan stalenmateriaal, foto’s en meetgegevens opbouwen. Belangrijk is echter dat het stalenmateriaal in Friesland blijft en toegankelijk voor onderzoek is. Toekomstige onderzoekers kunnen mogelijk dingen aflezen van de stalen, die met de huidige stand van zaken nog niet mogelijk zijn.

Ik heb het voornemen een Stichting “Fries Historisch Bouw Hout”op te richten. De stichting zal zich gaan inzetten voor het verzamelen van houtstalen om zo een ruime database van in Friesland gebruikt bouwhout op te zetten met als één van de doelen om bouwhistorisch onderzoek te ondersteunen. Hierover later meer.

Paul Borghaerts, Easterein, 7 augustus 2017(c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

 

Geef een reactie