Grondplan van een eenvoudige greide-boerderij

Beschrijving van het vloerplan van een eenvoudige Greide-boerderij aan de hand van de tekening die hoort bij het bestek van de nieuw te bouwen schuur op Monsma zaete te Hennaerd in 1709. De opdrachtgevers waren de erven van de oud-burgemeester van Bolsward, Gerben Monsma. Afgezien van wat kleine verschillen is dit schema een paar eeuwen lang het grondplan voor alle greide-schuren geweest. Van aanvankelijk acht à negen stallen tot veertien stallen en van drie tot vijf binten lang. Ondanks dat de schuren door de eeuwen heen groter werden, bleef het basisschema in grote lijnen ongewijzigd. Vanaf ongeveer 1875 werd er geëxperimenteerd met de Hollandse stal, waarbij de koeien met de kop naar de binnenmuur gedraaid staan. Deze experimenten leidden na de Eerste Wereldoorlog tot schuren waarin de voorlopers van de latere ligboxstallen al in het grondplan te herkennen zijn.

De benamingen uit de archieven voor de verschillende gedeelten van het historische gebouw zijn zoveel mogelijk aangehouden.

Op de tekening ligt het voorhuis op de plek waar nu de letter G staat. Het binnenhuis en het buitenhuis moesten van de opdrachtgevers blijven staan. Het oude buitenhuis (het stalgedeelte van het langhuis dat er al eeuwen stond) werd aangepast voor de nieuwe situatie. De losstaande hooischuur werd afgebroken en het hout werd hergebruikt bij de bouw van de nieuwe schuur.


A. In het midden van de Friese schuur liggen de “gollen”, de hooivakken waarin het hooi tot aan het dak toe opgetast werd, met daar omheen vier aflegeringen. Op de tekening weergegeven met de letter B, C, D en E.
B. Het groot-buitenhuis, grut bûthús in het Fries. De stalling van het melkvee.
C. Het kleine buitenhuis, lyts Bûthús. De stalling voor de rieren, de éénjarige koeien, het jongvee en de stier en in dit geval ook de paarden.
D. Het schuurpad, skuorreed. De plek voor de wagens en voor het afladen van het hooi. Achter de schuurdeuren tegen de buitenmuur is de gebruikelijke plaats voor de paardenstal. Langs de lange buitenmuur waren werktafels om kaas te maken.
E. De aflegering voor de karnmolen die werd aangedreven door een klein paard, de kedde genaamd. Verder is hier meestal de ruimte voor de boterbereiding, de tsjernherne, met de karnton en nog een woonvertrek. Soms zit de melkkamer ook onder dit dakvlak, met name als de schuurdeuren aan de achterkant van de schuur zitten zoals in dit geval.

F. Op deze tekening is dit “de kooken”, de keuken en de ruimte voor de boterbereiding. Deze “kooken” is het middelhuis of milhûs van het langhuis dat hier ooit stond.
G. De plek van het voorhuis. Het voorhuis ligt vrijwel altijd in het verlengde van de veestalling, het buitenhuis.

B. Het groot buitenhuis.
vloerplan-groot-buitenhuis

H. De stallen voor het melkvee. De oudste greide-boerderijen hadden acht of negen stallen. De stallen waren rond de 1 meter 80 breed en 2 meter diep. De stallen in het buitenhuis waren vaak verschillend van breedte. Het wat kleinere vee ging in de smalle stallen en het grotere vee in de bredere stallen. Een slimme manier van omgaan met de ruimte! Tegen 1850 waren de stallen al gemiddeld 2,20 m diep en 2,40 m breed. Je ziet dan ook vaak aan sporen in de zoldering of aan de buitenmuur dat de stallen in de loop van de tijd zijn verbreed. Het vee werd groter en had meer ruimte nodig. Het lijkt er op dat er op verschillende momenten heel divers over de juiste maatvoering voor de stalling werd gedacht. Er zijn voorbeelden van stallen gebouwd in de 18e eeuw die bij de bouw al 2,30 m breed zijn en er zijn stallen gebouwd ná 1800 die maar 2,00 m breed zijn. Misschien zegt dat iets over het fokken van vee en over de verschillende opvattingen die de boeren konden hebben over de optimale maat van het vee.

Een “vak” is een ander woord voor een stal. In het langhuis stond tussen elke stal een “koebint”. Dat was de draagconstructie van het dak van het gebouw.  Die koebinten stonden dus op een meter of twee van elkaar, al gelang de breedte van de stallen. In de Friese schuren, en daarvoor ook in het langhuis, staat het vee met de koppen naar de buitenmuur gericht. Elke stal heeft een raampje in de buitenmuur. Je kunt dus aan de buitenkant de raampjes tellen om te weten hoeveel “vak” oftewel hoeveel stallen een schuur heeft. In elke stal staan twee stuks vee. Het verhaal gaat dat vroeger de jongelingen de koeruitjes van de boerderij van de geliefde telden en daaraan wisten hoe rijk de familie was.

I. De groppe, grup of mestgoot. De mestgoot moest een paar graden aflopen naar achteren. Dan kon de urine, de jarre, aflopen naar de sloot en bleef de mest, de dong liggen. De stront werd uit de groppe geschept en samen met het vuile stro uit de veestalling op de mestvaalt, de rûchskerne gegooid om later als rûge dong, over het land verspreid te worden. De urine kwam dus niet samen met de weke stront over het land zoals vandaag de dag.

J. De buitenhuis-vloer,  zo staat hier te lezen in de tekening. De gebruikelijke Friese naam was en is de mielgong.  De buitenhuis-vloer moet gestraat worden met “beste klinkert” staat in de bouwbeschrijving die hoort bij deze tekening. (Zie het kader onder dit artikel met een uitleg over de mogelijke betekenis en ontstaansgeschiedenis  van het woord “mielgong” geschreven door Liuwe Westra).

X. Het lijkt erop dat dit het toilet, het húske, is maar het lijkt mij waarschijnlijker dat het de waterput, de saad, is. Het húske staat gewoonlijk buiten de stal. De saad bevindt zich meestal tegen de binnenmuur van het groot-buitenhuis ongeveer op twee-derde van de lengte. Dat was de beste plek om zowel de dieren in het groot-buitenhuis als de dieren in het klein-buitenhuis van water te kunnen voorzien. Op de put stond een waterpomp waarmee het water in een opvangbak werd gepompt. Daarna kon met emmers het water gemakkelijk uit de waterbak geschept worden. In deze bak werden ook bijvoeders voor de dieren klaargemaakt en gemengd met water.

U. De doorgang naar het middenhuis, de kooken of in dit geval ook de ruimte voor de boterverwerking, de tsjerne.

R. De buitenhuisdeur. De toegang voor mens en vee. Meestal is deze deur een “melkmeisje”, een brede deur met ramen aan weerskanten.

Het klein-buitenhuis.
vloerplan-klein-buitenhuis

Op deze tekening is het klein-buitenhuis ingedeeld op een manier zoals ik die verder nog nergens ben tegengekomen. Mogelijk laat dit unieke document een indeling  zien die later niet meer gangbaar was.

Bij K. L. en M. staatvermeld  dat het de stallen voor jonge koeien zijn, van 6 tot 6,5 voet breed en 7 voet diep, oftewel. 1,90 m bij 2,20 m
O. De peerdestallen.
P. De groppe
Q De klein buitenhuis-vloer

SAMSUNG CSC

Gebruikelijk zijn er in het klein-buitenhuis vier stallen voor de rieren tegen de buitenmuur (A) en drie stallen voor jongvee (D) en een stal voor de stier, de bolle, (E) aan de binnenmuur met daartussen het middenpad (C) met aan weerskanten een groppe (B).

Als de schuurdeuren aan de voorkant zaten dan kon het klein buitenhuis zes vakken voor de rieren aan de achtermuur hebben en als de schuurdeuren aan de achterkant zaten waren er vier vakken voor de rieren.

Het schuurpad, de skuorreed
vloerplan-schuurpad

S. De grote schuurdeuren.

De grote schuurdeuren bevinden zich in dit geval aan de achterkant van de schuur. Het komt soms voor dat de schuurdeuren aan de voorkant zitten. Het klein-buitenhuis kan dan achter het schuurpad langs doorgetrokken worden en in plaats van vier wel zes stallen hebben aan de achtermuur.

T. “De uitlegers-door” heet deze deur op deze tekening. Het paard kwam met de hooiwagens de schuur binnen. De hooiwagens werden voor het afladen achter elkaar opgesteld. Het paard kon dan door deze deur de schuur weer uitgeleid worden om de volgende wagen te halen. Meestal is de paardenstal naast de grote schuurdeuren aan de buitenmuur met een klein raampje naast de schuurdeuren.

 

vloerplan-karnmolen

Deze tekening is, zoals al gezegd, gemaakt in 1709 als bijlage bij een bestek voor een nieuw te bouwen schuur. De opdracht was het bestaande langhuis te laten staan en daar een nieuwe hooischuur tegenaan te bouwen en de dakvlakken te integreren. Op deze manier ontstond een Friese boerderij zoals we die nu nog overal in het landschap zien.  Uit het bestek is op te maken dat in deze voorkant de karnmolen was gesitueerd.

V,W.  De bedsteden op een zeer onhandige plek. Dit is nog een herinnering aan het langhuis waar ze eerder deel van uitmaakten.

De “huijzinge” is vanouds het onderkomen van mens en vee. Ooit, als voorloper van de “Friese schuur”, bestond het langwerpige langhuis uit een binnenhuis, oftewel het voorhuis waar de boer en zijn gezin woonde, een middelhuis waar de boterbereiding en dergelijke plaatsvond en daarachter het buitenhuis, de veestalling. Op deze tekening is het voorhuis niet getekend (G). Het middelhuis (F) wordt hier de kooken genoemd en het historische buitenhuis heet hier op de tekening ook nog zo. Het bouwschema van het oude langhuis is daarmee nog goed herkenbaar in deze tekening van een Friese schuur. Het is hoogst opmerkelijk dat de hooiberging, die in de tijd van het langhuis nog los van de huijzinge stond, in de tekening ook nog gewoon schuijre heet en de veestalling traditioneel het buitenhuis wordt genoemd, aanduidingen die uit de tijd van het langhuis stammen en die tot op de dag van vandaag nog door de boeren worden gebruikt. Met het buitenhuis wordt zonder uitzondering de veestalling bedoeld en met de schuur de grote open ruimte van de hooiberging met het schuurpad (D).

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

over het woord 'mielgong'

‘Mielgong’, in het Fries uitgesproken als ‘mjilgoong’, moet een samenstelling zijn van ‘miel’ en ‘gong’. ‘Miel’ lijkt op ‘mil’, een oude Friese vorm voor Nederlands ‘middel’. Tegenwoordig wordt ‘mil’, overeenkomstig de uitspraak, als ‘mul’ gespeld en is het nog steeds het gewone woord voor het lichaamsdeel ‘middel’ of ‘taille’. De term ‘milhuis’ als deel van een boerderij hoor je tegenwoordig weinig meer, maar bestaat nog wel: de uitspraak is in modern Fries dan ook ‘mulhûs’ of ‘mulhús’. Tot enige enige jaren geleden stond er in Wommels aan ’t Bosk een kerkelijk verenigingsgebouw met die naam. De naam was gekozen omdat het gebouw tussen het kerkgebouw (de oude Sint Jacobi) en het gebouw voor feesten en partijen ‘it Dielshûs’ in stond. Nog later kreeg het bijgebouw van de voormalige Gereformeerde kerk aan de Hottingawei de naam (‘It Foarhús’), zodat de hele oude Friese boerenhuizinge in de dorpsplattegrond terug te vinden was.

Maar ‘miel’ is een ander woord dan ‘mil/mul’. Het is een woord voor ‘maaltijd’, maar vanouds ook voor ‘keer’ (als in ‘twee maal twee’). Een ‘maal’ eten is oorspronkelijk dan ook een ‘keer’ eten, en een maaltijd wordt in het Fries nog altijd wel aangeduid als ‘in miel iten’. Maar het kan ook op andere dingen worden toegepast, bijvoorbeeld op de hoeveelheid urine die iemand tijdens één sanitaire stop afscheidt. Bij een bezoek aan dokter of ziekenhuis moet je soms een ‘moarnsmiel’ meenemen.

Zo kun je op het boerenbedrijf nog steeds horen, dat een koe zoveel liter ‘it miel’ (‘per maal’) geeft, en als je één koe om wat voor reden dan ook apart melkt, heb je in de emmer ‘in miel’. Daar weer van afgeleid is de betekenis ‘melkbeurt’: op de meeste boerderijen melken ze ‘twa miellen’, maar sommige boeren melken ook tussen de middag, en dan heb je dus ‘trije miellen’. (Of het woord op bedrijven met een melkrobot ook nog functioneert, durf ik niet te te zeggen.)

Ik vermoed, dat we van deze betekenis moeten uitgaan bij het woord ‘mielgong’. Het zou dan in eerste instantie het proces van één keer melken aanduiden, waarbij men de hele rij koeien in het ‘bûthús’ systematisch van beneden naar boven afwerkt. De melkers lopen dan steeds over het pad heen en weer om de emmers te legen en de ‘tjems’ te verzetten. Bovendien moet iedere koe drie keer worden bezocht: één keer om de uier schoon te maken, één keer voor het gewone melken, en één keer voor het ‘neimelken’ (dat is uitgestorven met de komst van het melken in de put met visgraat; daarvóór werd ook bij machinaal melken vaak nog met de hand nagemolken). Van ‘melkproces per keer’ of ‘melktraject’ zou het woord dan zijn overgegaan op de ruimte waarop de bedrijvigheid plaatsvond, misschien bevorderd doordat uitdrukkingen als ‘healwei de mielgong’ of ‘oan it begjin fan ’e mielgong’ door de spreker als een aanduiding van tijd werden bedoeld (‘halverwege het melkproces’ etc.) en door de verstaander werden opgevat als aanduiding van plaats ‘halverwege het melkpad’).

Een andere verklaring zou nog met het voeren van het hooi te maken kunnen hebben. De uitdrukking ‘oer de mielgong fuorje’ (Woorden der Friese Taal) betekent, dat men het hooi niet door de luiken voor de koeien gooide, maar door een deur tussen ‘golle’ en ‘bûthús’ op de vloer wierp, en vandaar voor de koeien. Maar dan zou een portie veevoer als ‘miel’ aangeduid moeten zijn, en daar zijn bij mijn weten geen aanwijzingen voor.

Liuwe H. Westra

Geef een reactie