Vurenhout in de boerderijbouw

 

Hierboven is een bintwerk afgebeeld zoals het industrieel gemaakt werd in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het heeft de kenmerkende afgeschuinde hoeken aan de stijlen en het draaghout ligt nagenoeg boven de stijl.  De stijl sluit mooi aan op de afgeschuinde liggerbalk en het zware houtwerk is niet vierkant in doorsnede maar iets rechthoekig, 32 bij 28 cm om precies te zijn. De afstand tussen de stijlen in de breedte van het gebouw zijn tot op de centimeter gelijk.  In de lengte richting staan de binten nooit precies op dezelfde afstand van elkaar maar vanaf de negentiende eeuw staan de linker- en de rechterstijlen wel precies even ver van elkaar af. Van deze bintwerken staan er heel wat in het Greide-gebied van Friesland. Over het algemeen zijn ze van grenenhout gemaakt, hoofdzakelijk uit het midden van Zweden en soms zelfs uit Finland.

Het geheim van het hierboven afgebeelde bintwerk kwam pas bij de inmeting en met name bij de houtanalyse van de boorstalen aan het licht.
Het bintwerk is namelijk gemaakt van vurenhout en niet van grenenhout

Voor de bouw van bintwerken werd in de loop van de tijd gebruik gemaakt van verschillende houtsoorten. Tot 1600 werd alles gebouwd in eikenhout, in de periode 1600-1840 werd hoofdzakelijk grenen gebruikt en incidenteel eiken. In de periode 1840-1890 werden grenen en vuren gebruikt en na 1890 vuren en Amerikaans grenen.

Rond 1600 vond dus de overgang plaats naar het bouwen in grenenhout. Op dit moment heb ik diverse bintwerken in onderzoek waarbij de overgangssituatie van eiken naar grenen hierin bestaat dat de stijlen van eikenhout zijn en de liggende delen en schoren van grenenhout.

Er zijn twee varianten van deze overgangssituatie aan te wijzen.

In de eerste variant waren de eiken stijlen én de liggende grenen delen bij de bouw nieuw. Het grenenhout is dus even oud als het eikenhout. Dergelijke bintwerken zijn gebouwd vanaf 1600 in de overgangsperiode van het volledig in eikenhout bouwen naar het volledig in grenenhout bouwen.

In de tweede variant zijn de eikenhouten stijlen hergebruikt en waren de liggende grenen delen op het moment van de bouw nieuw. Het grenenhout geeft daarmee aan wanneer het gebouw gebouwd is en het eikenhout zegt iets over een eerdere bouwfase, als het hout tenminste van de bouwlocatie afkomstig is. Dit soort composities van hergebruikt eiken en nieuw grenenhout komt voor vanaf 1600 tot wel 1800. Op het moment dat de oude eiken hooischuur werd afgebroken werden de stijlen in het nieuwe gebouw hergebruikt.

QUSP, Quercus, Oak, Eik, Eikenhout

Het oude eikenhout van voor 1600 is helemaal donkerbruin van kleur geworden. Dat komt door het looizuur dat er in eikenhout zit. Dit looizuur beschermt het hout tegen schimmels en insecten. De buitenste spintringen zijn lichter van kleur.

Vóór 1600 komt er geen grenenhout voor (hoewel ik misschien toch iets op het spoor ben); na zestienhonderd komt er nog wel nieuw eikenhout voor, maar dan slechts sporadisch. Eikenhout was namelijk erg duur. In een paar Friese Staten heb ik eikenhout van na 1600 gevonden, zoals in het voorhuis van Oenema State te Wytgaard en Donia State te Spannum. Die zijn in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd met gebruikmaking van eikenhout uit Duitsland. De schuur van Oenema State is in 1848 herbouwd met vurenhout(!) en de schuur van Donia State is inmiddels afgebroken.

PISY, Pinus Silvestris, Scotch Pine, Grove Den, Grenenhout

Grenenhout kenmerkt zich o.a. door de harskanaaltjes die duidelijk in het donkere najaarshout te zien zijn.

Grenenhout komt vanaf 1600 eerst uit Noorwegen en later uit het gebied rond de Oostzee. Het wordt gebruikt tot tegen 1900, wanneer door schaarste het Amerikaans grenen zijn intrede doet.
Grenenhout heeft een duidelijke harslucht, vooral bij zagen en boren. Er is ook een duidelijk kleurverschil tussen het spint en kernhout

Van de 800 verzamelde houtstalen (januari 2017) zijn er ruim 100 van eikenhout. Er zijn eveneens een honderdtal stalen van vurenhout, een paar van zilverspar en tegen de 600 van grenenhout.

Ten opzichte van het grenenhout vormt het vurenhout dus ongeveer 14% van de verzameling. Vurenhout komt vaak voor in de jaagbanden en andere kleinere constructiedelen van de boerderijen en het is na 1840 ook geregeld gebruikt bij boerderijen die verlengd werden met een extra bint. Heel bijzonder was het om maar liefst negen boerderijen te ontdekken die helemaal gebouwd zijn van vurenhout. Opvallend is dat er daarvan alleen al vier rond het dorp Spannum staan! Was het misschien dezelfde aannemer die met vurenhout was gaan werken? De oudste in vurenhout gebouwde schuur is van 1848 en de jongste van na 1900.

Hier blijkt dus uit dat door de schaarste aan grenenhout, die in het midden van de negentiende eeuw ontstond, niet alleen grenenhout uit verder gelegen gebieden werd gehaald maar dat er ook naar vurenhout uitgeweken werd. Dit vurenhout was vaak rondhout!

PCAB, Picea Abies, Norway Spruce, Fijnspar, Vurenhout

ABAL, Abies Alba, Silver Fir, Zilverspar, Dennenhout

Vurenhout kent maar weinig harskanalen en zilverspar zelfs helemaal geen. Vurenhout en zilverspar hebben geen herkenbaar kernhout en bij het bewerken ruikt het hout wat muf.

Sterk verwormde vurenhouten  rondhouten stijl van een dorpsboerderij in Makkum

Het heeft geen enkele zin  vurenhout te kantrechten. Het kantrechten van eiken- en grenenhout gebeurde om het spinthout ervan af te kappen zodat het minder gevoelig werd voor houtworm. Vurenhout heeft geen kernhout en daarom werd het meestal niet gekantrecht en is het in de vorm van (vaak sterk door houtworm aangetast) rondhout herkenbaar.

Op de eerste foto van dit artikel is te zien dat het draaghout van het relatief jonge bintwerk met trekijzers aan de liggerbalk is bevestigd om verder afschuiven te voorkomen. De oorzaak is zonder twijfel het zwakkere vurenhout. Bij een grenen bintwerk van deze leeftijd is zo’n maatregel ondenkbaar.

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

Eén gedachte over “Vurenhout in de boerderijbouw”

  1. Alweer een bijdrage die ons de ogen opent. Tot nu toe waren al die grijze stijlen en liggers met vaak door houtworm aangevreten sponzige buitenkanten naar mijn idee van grenenhout. Ik kon wel redelijk het onderscheid zien tussen eiken en “grenen”. Eikenhout in een Friese schuur had ik echter nog nooit gezien tot Paul een fraai exemplaar van voor 1600 bij Reahûs openbaarde. Met dit onderzoek aan de boorkernen wordt het houtverhaal nog meer bijzonder, nu zelfs een niet onbelangrijk deel van dat ‘grijze grenen’ in veel gevallen ook hout van twee sparrensoorten blijkt te zijn. Dit boorkernenonderzoek is belangrijk voor de studie naar de bouwgeschiedenis van het boerderijenbestand in deze provincie.

Geef een reactie