Hergebruik 1. Het toevoegen van een extra bint.

 

De oudste Friese schuren die in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstonden hadden drie binten met daartussen de twee gollen, de twee hooivakken.

Opgestapeld hooi in de "Golle". Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooit los opgestapeld tot aan het dak.
Opgestapeld hooi in de “Golle”. Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooi los opgestapeld tot aan het dak.

Schuren met drie en vier hooivakken, oftewel met vier of vijf en soms zelfs wel zes binten, zijn in het greidegebied, het veeteeltgebied van Friesland, meestal een latere vergroting van een al bestaand gebouw. Er werd een bint bijgeplaatst en daarmee werd de hooiopslag met de extra golle die dan ontstond flink vergroot.

 

De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.
De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.

De binten van de oude schuren staan gemiddeld ruim zes meter van elkaar.  Het naast de gollen in de lengte van het gebouw liggende groot-buitenhuis, de stalling van het melkvee, werd door het bijplaatsen van een extra bint ook ruim zes meter langer en er konden dan twee of drie extra stallen worden geplaatst. Vaak werd dit extra bint nog veel verder geplaatst, wel tot 7,5 meter om nog meer extra ruimte te krijgen. Met twee melkkoeien per stal konden er dus vier tot zes melkkoeien meer gestald worden. Ten opzichte van de oude situatie was dat wel 25-30 procent ruimte winst!

Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.
Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.

Uit de bovenstaande plattegrond valt op te maken dat de 8 vak lange schuur van Galema te Burgwerd in de nieuwe situatie 10,5 vak lang is geworden.

De grote verbouwing van de schuur was een goed moment om het bedrijfs- en woongedeelte van het gebouw nog eens goed te bezien. Meestal werd voor de verbouwing het achterdak verwijderd en werd het extra bint aan de achterkant geplaatst.  Het kwam ook voor dat er juist aan de voorkant een bint werd bijgeplaatst. Dan moest niet alleen het voordak verwijderd worden maar ook het hele voorhuis of in ieder geval de hals! Bij verschillende kop-romp boerderijen is de hals verdwenen door het naar voren vergroten van de schuur.  Het naar voren verlengen van de schuur gaf meteen de mogelijkheid om het gebouw, indien gewenst, om te vormen tot een stelp of om het nieuwe voorhuis voor of zelfs achter de schuur te zetten. De richting van het gebouw werd dan gekeerd.  Dit soort veranderingen kwam erg veel voor.

 Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Mijn schatting is dat zeker tien tot twintig procent van de schuren in Friesland is verlengd. Ze zijn te herkennen aan een lage lange rug.  Het oude, en in feite hergebruikte bintwerk was nog niet zo hoog,  maximaal 12 meter in de nok. Dit type Friese schuur betitel ik als de ‘lage lange rug’.  Daartegenover staan de negentiende eeuwse schuren met een hoog lang dak. Men dient zich goed te realiseren, dat deze in één keer zo zijn gebouwd. Na achtienhonderd worden de gebintstijlen van de nieuwgebouwde schuren veel langer. De nokhoogte loopt daardoor tegen het midden van de negentiende eeuw op tot wel 14! meter.

Hoge Lange Rug met steile dakhelling
Hoge Lange Rug met steile dakhelling

Dit type schuren met een hoge en lange rug noem ik “de hoge lange rug” Geen mooie benaming maar de vlag dekt de lading heel goed. De lage lange rug is een verlengd oud gebouw uit de zeventiende en achtiende eeuw en de hoge lange rug is in die vorm nieuwgebouwd in de negentiende eeuw.  De “lage lange rug” heeft als onderscheiden kenmerk meestal een flauwe dakhelling, 51 graden op het voor en achterdak en 44 graden op de zijvlakken. Bij de hoge lange rug zijn het voor en achterdak rond de 58 graden en de grote zijvlakken rond de 48 graden. De twee zijvlakken van de Friese schuren hebben zelden dezelfde hellingshoek. Meestal is de kant van de veestalling flauwer om meer breedte te kunnen krijgen over de veestalling.

De oude schuren konden ook op een wat simpelere maar niet minder ingrijpende manier worden vergroot. Het achter en/of voordak moest er dan af maar dan werd er geen bint bijgeplaatst. In plaats daarvan werd de oversteek van de draaghouten zodanig vergroot dat de schuur langer werd. Het spreekt voor zich dat door het grotere en dus zwaardere dak de druk op de buitenste bintstijlen flink werd verhoogd.

Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning in de boerderij van Hylkema te Reduzum
Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning op de hoek. Het totale achterdak rust op een paar dunne rondhouten palen!

Vaak zie je dan dat er een extra steunpaal onder de uiteinden van de ver overstekende draaghouten werd gezet. Er werden ook schuren gebouwd die al bij de nieuwbouw een grote oversteek van het draaghout voor en achter hadden. Deze schuren konden dan met drie in plaats van met vier binten gebouwd worden wat een stuk goedkoper was maar ook aanmerkelijk minder sterk en duurzaam.

Dit soort omvangrijke verbouwingen was het aangewezen moment om het hele dak te vervangen. Het houtwerk van de dakvlakken gaat het minst lang mee, hooguit iets van 100 tot 150 jaar. De draaghouten houden het langer vol en de binten kunnen, mits het schuurdak goed dicht word gehouden, eeuwen en eeuwen mee. Heel veel boerderijen hebben dus nog wel de originele binten maar de draaghouten en het hele dakvlak is al eens, of zelfs vaker, vernieuwd.

Schuren met een bijgeplaatst bint zijn erg interessant voor het onderzoek. De oude binten geven informatie over het oprichtingsjaar van de schuur, en het toegevoegde bint zegt iets over de uitbreidingsfase van het gebouw.

fr09100
Deze stalen, afgenomen van de boerderij van Galema te Burgwerd, geven een mooie onderbouwing van het verhaal over de verlenging van deze boerderij. Op de gevel staat dat het gebouw oorspronkelijk is gebouwd in 1863 en van de foto van de verlenging van het gebouw is bekend dat dat in 1925 heeft plaatsgevonden. De stalen met de nummers 9105 en 9106 horen bij die verlenging. Ze dateren van de winter van 1923-24. De andere stalen horen bij de bouw uit 1863 en ze dateren van de winter van 1861-62.

Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).
Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).

Er gaat het verhaal dat de boerderij van Galema in 1863 werd gebouwd met het materiaal van een andere afgebroken schuur en dat de boerderij in zijn geheel zou zijn verplaatst. Die theorie wordt nergens door bevestigd. Het oorspronkelijke gebouw is gebouwd met rondhouten stijlen. Voor 1860 kwam dat nagenoeg niet voor.  Het zou kunnen zijn dat er wat kleiner timmerhout uit een eerdere boerderij is gebruikt maar het grote bintwerk is zonder twijfel in 1863 met nieuw hout opgericht, volgens de dendrochronologische dateringen van de stalen uit de winter van 1861-62.

Het is altijd interessant om na te gaan of er rond de tijd van de vergroting van het gebouw een nieuwe eigenaar is gekomen of dat er grote veranderingen in het grondbezit plaatsvonden. Vaak is dat zo.

De komst van een nieuwe eigenaar of een grote erfenis of belangrijke grondaankopen kunnen allemaal de aanleiding zijn voor het bouwen van een nieuwe schuur of voor het vergroten van een al bestaande schuur.

In een gebouw met een toegevoegd bint bevinden zich bouwhistorisch eigenlijk twee gebouwen: dat van de oude en dat van de nieuwe situatie. Ik probeer altijd ook de afmetingen van de oude situatie terug te vinden en in de statistieken voer ik het gebouw twee maal in met de verschillende maten.

Waarom moesten zoveel schuren vergroot worden? Het ligt voor de hand om aan te nemen dat dit kwam doordat het land van verschillende boerderijen samengevoegd werd. Er werden ook al in de 16e en 17e eeuw boerderijen afgebroken. Ook toen werd er al land verdeeld onder de naastliggende boerderijen. Schaalvergroting is iets van alle tijden. Een andere, en misschien wel de belangrijkste reden om de boerenschuren te vergroten is gelegen in het feit dat de hooiopbrengst over de eeuwen sterk toenam. Het hooi moest voor de winter opgeslagen worden en door de hoger wordende hooiopbrengst moest de hooiberging over de eeuwen steeds opnieuw vergroot worden.

Uit archiefstudie en uit de gegevens die naar voren komen uit mijn boerderij metingen heb ik kunnen vaststellen dat er voor elke pondemaat grasland rond 1650 ongeveer tien kubieke meter hooiopslag nodig was.  (Dat dit precies tien kubieke meters zijn is natuurlijk toeval, want de eenheid van de kubieke meter bestond nog helemaal niet.) Rond 1850, twee eeuwen later is er al 16 kubieke meter berging per pondemaat grasland nodig. Dat is 60% meer dan twee eeuwen eerder!  Die toename verliep vrij geleidelijk over de onderzochte periode.

Er moet voor de timmerlieden zoiets als een (met de tijd veranderende) vuistregel zijn geweest over hoe groot de hooiberging moest zijn per pondemaat land. Dat is ook niet meer dan logisch. Het grondareaal en dus ook de grasopbrengst is de meest constante factor in de bedrijfsvoering van een veeteelt boerderij. Meestal blijft het grondareaal van een boerderij lang ongewijzigd. Alleen bij grensverleggingen, bij grondaanwinning of bij het opheffen van naastliggende boerderijen verandert het grondareaal sterk. De meester-timmerlieden, de bouwers én architecten van vroeger, zullen zonder enige twijfel eerst geïnformeerd hebben hoeveel grasland er bij de te bouwen boerderij hoorde.

De hoeveelheid gras bepaalt de afmeting van de daarvoor benodigde hooiopslag. De afmeting van de hooiopslag, de gollen, bepaalt hoe groot het blok van de schuur moest zijn. De hoeveelheid hooi bepaalt het aantal stuks vee dat er kan worden gehouden en hoeveel stallen er moesten komen en het aantal stuks melkvee bepaalde hoeveel kaas er gemaakt kon worden. De Fries greideboerderijen zijn immers oorspronkelijk allemaal kaasfabriekjes geweest! De toename van de benodigde hooiberging per pondemaat is over de eeuwen  zo regelmatig dat het in principe zelfs mogelijk is te zeggen hoe oud een schuur is als je weet hoeveel land er eertijds bij hoorde en hoe groot de hooiberging origineel is.

(c) Paul Borghaerts november 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra

Geef een reactie