Kerkbedrijf in Friesland na de reformatie I.

 

De kerk als zorgdrager

Vandaag de dag is het vrijwel niet meer bekend hoezeer de kerk in vroeger eeuwen het centrum van de gemeenschap vormde. Hierna volgt een korte beschrijving van deze rol van de kerk in de maatschappij zoals die uit het rekenboek van de Geestelijke goederen in de grietenij Hennaerderadeel naar voren komt. In dit boek, dat in het archief van Wommels te vinden is (inventarisnummer 53), staan alle uitgaven en inkomsten van de 11 dorpen van deze grietenij geregistreerd over de periode van 1580 tot rond 1604. Dat gaat over landhuur, de oppervlakte van de boerderijen, rentes, reparaties, verteringen (kosten gemaakt voor eten en drinken), de personen die bij alle posten worden genoemd, de boeren. de predikant, de schoolmeester, de dakdekker, timmerman, bode, uurwerkmaker, klokkengieter enz enz. Het was een uiterst roerige tijd dus er moest veel gerepareerd worden, riet op daken, glazen (ramen) in de kerk en pastorie, een nieuwe deur voor de kerk, duizenden stenen voor muurreparaties, Hout om de verbrande toren van Spannum, het terughalen van de klokken van Oosterend die door de vijand uit de toren zijn gehaald enz. enz. Het boek geeft een onverwacht compleet beeld van het reilen en zeilen van de kerk in deze onrustige tijd.

Situatieschets
Na 1579 is de reformatie in Friesland min of meer voorbij.  De geloofsstrijd tussen de katholieken en protestanten is door de laatsten gewonnen. Alle katholieke goederen zijn geconfisqueerd zowel van de kerken als van de klooosters. De katholieke geestelijkheid is uit zijn functies gezet. De protestanten zoeken met alle macht naar nieuwe voorgangers voor de kerkdiensten.  Er is deze beginjaren een schreeuwend te kort aan predikanten. In 1580-81 moeten de 11 dorpen van Hennaerderadeel het samen met maar één predikant doen. Daar bovenop woedt al jaren de 80 jarige oorlog (1568-1648). De oorlog is een slopende zaak met hordes losgeslagen troepen die plunderend door het land zwerven. Kerken, pastorieën en andere gebouwen worden in brand gestoken of verwoest. Mensen worden gevangen genomen voor het losgeld.

Het is niet alleen maar kommer en kwel. De oorlog loopt voor Friesland op zijn eind en het gemeenschapsleven hervat zijn loop. Zo vinden we in het genoemde rekenboek het verslag van de jaarlijkse samenkomst van de gemeente van Itens uit 1584. Daar wordt volgens de betaalde rekeningen lekker bij gegeten en gedronken:

Genuttigd op de rekendag van 1584 in de pastorie van Itens:            

  • 3 koeken, 6 pond rozijnen, vier pond pruimen
  • drie stukken pekelvlees samen 17,5 pond, twee hammen samen 16 pond
  • twee ganzen, een schaapsbuik, twee tonnen bier en een halve schuit turf
  • schapenkaas, 16 vogels, notenbrood, klein brood
  • extra bier gehaald bij Douwe Poppe
  • betaald aan Griet, de huisvrouw van Heer Evert, voor vuur en kaarsen en brood.
Genuttigd op de rekendag te Itens in Hennaerderadeel. 1584. Bron 53-72R Wommels
Genuttigd op de rekendag te Itens inde grietenij  Hennaerderadeel. 1584. Bron 53-72R Wommels

Het moet een gezellige boel zijn geweest op de jaarlijkse rekendag. De gemeente werd door een “loper”, die het hele dorp afging, opgeroepen om samen te komen. Voorafgaand aan het dorpsfeest werd eerst nog door de gekozen kerkvoogden verantwoording afgelegd over de inkomsten en uitgaven van de kerkelijke goederen van het dorp. Dat gebeurde ieder jaar ten overstaan van de hele gemeente en in aanwezigheid van de grietman en de secretaris van de grietenij. Daarna was het feest. 

Het feest in Itens kostte alles bij elkaar ongeveer 35 goud guldens. Daar moest een dagloner, die in die tijd 5 á 6 stuivers per dag verdiende, 168 dagen voor werken. Een half jaarloon! en dat voor een klein dorp als Itens. Naar moderne tijden vertaald, als dat al kan, zou dat betekenen dat het feest 12.000 Euro kostte waarvan dan alleen het bier al 3000 euro zou zijn!

Opmerkelijk in het kostenoverzicht van het feest is de vermelding van Griet, de huisvrouw van Heer Evert. Rond 1579 werd de katholieke geestelijkheid in Friesland uit zijn functies gezet en werden de geestelijke goederen geconfisqueerd en onder beheer gebracht. Van dat beheer over de kerkelijke goederen moest in opdracht van de Heeren Gedeputeerde Staten in Leeuwarden een nauwgezette boekhouding bijgehouden worden. Vandaar dat we Heer Evert en Griet in de archieven tegenkomen. Heer Evert was de afgezette pastoor van Itens en Griet was zijn vrouw. Het was volkomen normaal dat pastoors getrouwd waren en kinderen hadden. De pastoors waren na de reformatie weliswaar uit hun functie gezet maar zeker niet uit de gemeenschap verstoten. In meerdere dorpen kregen de afgezette pastoor en de vicarius grond ter beschikking van de kerk om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien of zelfs een geldelijke toelage, een pensioen, voor de rest van hun leven.

In Oosterend krijgt Epo Gerbens, een afgezette vicarius, voor zijn onderhoud en voor zijn miserabele kinderen 21 pondmaten land vrij in gebruik. Zijn mede vicarius Wlbe Doijtse mag 3,5 pondemaat en drie koegangen gebruiken. Hij krijgt ook nog 12 goud gulden tot onderhoud van zijn miserabele kind. Dit beeld was vrij algemeen in de dorpen van de grietenij van Hennaerderadeel waarvan de verslaglegging van het beheer goed bewaard is gebleven.

Het beeld van de kerk als sociaal middelpunt van de gemeenschap word versterkt door het omvangrijke werk dat vanuit de kerk voor de armen en de zieken werd gedaan.

Armen konden een stukje grond toegewezen krijgen om in hun onderhoud te voorzien en ze konden een geldelijke toelage krijgen. De armen kregen brood, kleding en schoenen en soms, op feestdagen, bier van de gemeenschap. Zelfs de doodskisten, toen doodsvaten genoemd voor de armen werden door de kerk betaald.

Ook voor de zieken werd gezorgd. Zij kregen net als de armen kleding en voeding of mochten stukken grond bewerken zonder daar huur voor te betalen. Als ze vaste huurders van de kerk waren konden ze een huurverlaging krijgen. Uit de verslagen komt een sterk sociaal besef naar voren!

GemHen-53_0238Op 7 november Willem Schoenmaker in Bolsward betaald voor 28 paar schoenen voor de armen.  7 goud guldens en 20 stuivers.  
Op 8 november Tijaerdt Scroer gegeven voor zijn onderhoud  1 gg. 2 st. Op 17 november aan  de zieke Baucke Hette gegeven 10 stuivers.
Op 6 december Jan Aernszoon gegeven 1 gg. 5 st.Op 1 december in Harlingen laken gekocht voor de armen om zich te kleden 4 gg. 12 st.

De kinderen gingen naar school en het schoolgebouw en het “pensie”, het salaris van de schoelmeister, werd door de kerk betaald.

Er was een duidelijke verdeling tussen de inkomsten uit de verschillende landerijen. De opbrengst van een gedeelte van het bezit, meestal in de vorm van 1 of meerdere boerderijen, was voor de patroon. Deze gelden werden gebruikt voor het onderhoud van het kerkgebouw cum annexis. De opbrengst van de pastorie boerderij was voor het levensonderhoud van de pastoor. De pastoor kon de landen zelf bewerken of hij kon de opbrengst van de pastorie-landen als inkomen gebruiken. En zo waren er ook boerderijen of stukken land bedoeld voor de vicarie en de vicarius, voor de prebende, voor lenen en voor de armen.

De opbrengst van de armenlanden ging ook echt naar de armen zoals te lezen valt in de verslagen van Oosterend. Het totaal van de uitgaven voor de armen kwam exact overeen met de opbrengst uit de zogenoemde armenlanden. Dat konden verhuurde kleinere stukken land zijn maar ook een hele boerderij zoals dat in Oosterend het geval was.

De reformatie raasde door het land en het was oorlogstijd, de tachtig jarige oorlog tegen de Spanjaarden. “Den viant” trok vernielend en moordend door het landschap. De gemeenschap werd niet alleen door de vijand bedreigd maar moest zelfs schenkingen aan de (eigen) slecht betaalde soldaten doen die ook min of meer rovend rondtrokken om hun inkomen wat te verhogen en die zich in de dorpscafés flink lieten fêteren (waarvan de rekening ook aan de kerk werd gepresenteerd) De eigen soldaten namen ook bezittingen zoals koperen bekers en andere losse spullen mee uit de kerken.

Opten 14-den dach decembris coemende bennen Oestereijnt 11 soldaten van Bolswert halende van Oestereijnt ijtelicken mesken werck van candelers ende dier gelicke, moeten geuen voor huer comen 5 dortse dalers in presentie van veel gemeentsluijden, omme van huer ontslagen te worden van groete costen dien sij deden inden herberge, ende alsoe hen quite mochten worden, alles te samen 5 goud guldens 25 stuivers.

Er waarde ondertussen een eindeloze stoet van arme lieden, en zieken bedelend door het land. Zij moesten een aanbeveling van een grietman of van een andere dignitaris kunnen laten zien. Dan mochten ze bij de kerken of bij rijke mensen aankloppen en om aalmoezen  vragen. En die kregen ze ook! De jaarrekeningen van de dorpen laten eindeloze lijsten zien van arme bedelaars die ieder een paar stuivers kregen.  Onder de arme drommels waren o.a. soldaten die gewond waren in de strijd met bijvoorbeeld een been of arm afgeschoten of anders deerlijk “gequetst” en tot grote armoede vervallen. Er waren arme ongelukkige burgers, gehandicapten en mensen die niet bij zinnen waren enz enz. De gemeenschap zorgde in eerste instantie voor de eigen inwoners maar al deze bedelaars kregen iets mits ze maar een “recommandatie” hadden. Een aanbeveling. Gewonde soldaten hadden vaak een aanbeveling van een hogere bevelhebber bij zich. De bedelaars mochten beslist niet blijven; ze moesten verder trekken.

In deze eerste jaren na de reformatie was de kerk een vermogen kwijt aan het herstel van de in de oorlog zwaar geschonden bezittingen. Hele torens waren afgebrand en deuren en ramen ingeslagen. Pastorieën verwoest of minstens zwaar beschadigd. De kerkenrekeningen staan vol met posten voor reparatie van de bezittingen.

Er moest iedere nacht wacht gehouden worden in de kerktorens. Aan de buitenkant van de torens werden schalen opgehangen met brandstof om waarschuwingsvuren aan te kunnen steken als den viant zich weer vertoonde. Grote sommen geld waren gemoeid met het loskopen van dorpsgenoten die door de vijand gevangen genomen werden en waar een rantsoen (losgeld) voor betaald moest worden.

Zo doemt er een beeld op van een kerk als centrum van de gemeenschap. Een kerk die niet alleen voor de mis en kerkdiensten zorgde maar die ook zorg droeg voor de armen, de zieken, de behoeftigen en voor de school met de schoolmeester. Ze zorgde voor het kerkgebouw en de onderkomens van de geestelijken en ze beheerde de omvangrijke kerkengronden en opstallen bestaande uit boerderijen met land en losse landstukken.

Eén gedachte over “Kerkbedrijf in Friesland na de reformatie I.”

Geef een reactie