Boerderijenonderzoek en het vervolg met de Stichting Historisch Bouwhout Fryslân

Update 15-2-2018

Het boerderijen onderzoek heeft tot dusverre een 150-tal onderzochte objecten opgeleverd.

Een eerste samenvatting daarvan heeft plaatsgevonden op de lezing van 5-10-2017 waarvan filmopnamen zijn gemaakt die op deze weblog zijn te vinden.

Het boerderijenonderzoek zal gewoon verder gaan, zo zijn er alweer 5 boerderijen onderzocht sinds oktober 2017 maar het accent is verschoven naar boerderijen, kerken en stadspanden in zijn geheel.

Sinds oktober 2017 zijn er 11 kerken, 6 stadspanden en 5 boerderijen onderzocht. Verder mochten we het restant houtmateriaal van de opgraving van een boerderij bij Hemelum hebben nadat dat was geïnventariseerd bij Raap en er stalen waren uitgezocht voor dendrochronologische datering. De restanten worden gewoonlijk daarna vernietigd maar dankzij de attente medewerkers van Raap werd het restmateriaal ons aangeboden. Dat leverde ons 40! perfecte stalen op van de stijlen van de boerderij met eindjaar 1151 zoals wij dat hebben kunnen vaststellen en twee tonnen met eindjaren 1196 en 1250. De tonnen waren gebruikt als waterput. De meetreeksen die we hieruit konden samenstellen zullen voor de toekomst weer een grote waarde hebben.

Verder komen er steeds vaker mensen langs met rest-houtmateriaal van allerlei gebouwen en wij zijn daar erg blij mee. Hoe meer stalen, hoe groter de database en hoe meer kans om hout goed te dateren.

Juist voor dat doel is de Stichting Historisch Bouwhout Fryslân opgericht in december 2017.

Op deze site, www.boerderijenonderzoek.nl , zullen van tijd tot tijd verhalen over onderzochte boerderijen worden gepubliceerd en nieuwe ontdekkingen met betrekking tot die boerderijen, maar het onderzoek naar de kerken en stadspanden wordt gepubliceerd op de website www.shbf.nl

 

De Stichting Historisch Bouwhout Fryslân is opgericht in december 2018.

Het bestuur wordt gevormd door Liuwe Westra (voorzitter), Harmen Westra (secretaris) en Paul Borghaerts (penningmeester).

In de provincie Fryslân bevindt zich een unieke verzameling bouwhout in de vorm van onderdelen van talrijke historische gebouwen: boerderijen, kerken, molens en stadspanden. Dit hout is afkomstig uit het hele gebied rondom de oostelijke Noordzee en de Oostzee. Juist deze grote hoeveelheid hout in Friesland stelt ons in staat, onderdelen van gebouwen, meubilair en voorwerpen die gemaakt zijn van timmerhout uit dit hele herkomstgebied te dateren.

De stichting houdt zich bezig met het verzamelen van houtstalen van deze historische gebouwen.

Die houtstalen kunnen zowel resten balkhout, wagenschot, plakken kopshout of boorstalen zijn.

De stalen worden in eigen beheer geprepareerd, ingemeten en dendrochronologisch gedateerd. De uitkomsten worden in een database opgeslagen.

Op deze wijze kan, naarmate de database groeit, de verspreiding en herkomst van het bouwhout door de eeuwen heen per houtsoort inzichtelijk gemaakt worden.

De hulp van de restauratie- en bouwsector is daarbij van groot belang. Het is van onschatbare waarde, als bij restauraties en verbouwingen restanten van het oude hout beschikbaar komen voor het onderzoek of dat de stichting zelf onderzoek kan doen ter plaatse.

Over het doel en de werkwijze van de stichting wordt op dit moment gewerkt aan een folder met nadere gegevens.



10 januari 2018

 

 

Boerderij op Hantumerwei 21 Ternaard

De schuur van de boerderij genaamd “by de Piip”op de Hantummerwei 21 in Ternaard van  Laurens Lankhorst en Anki van de Kamp is op een heel kenmerkende wijze voor de negentiende eeuw gebouwd. Het overwegend grenen bintwerk is in een uitstekende conditie. Het hout laat de kenmerkende grove houtstructuur zien  van hout uit het gebied van Polen en Litouwen. Alleen de achterste stijl aan de linkerkant is van vurenhout. Op verschillende plekken zijn de korbelen aanwijsbaar van hergebruikt hout gemaakt. Ofwel zijn er sporen van een eerder pen- en gat verbinding danwel is aan het hout te zien dat het eerder als draaghout heeft gediend.  Dat wil zeggen dat de uitsparingen voor de juffers nog te zien zijn. Deze hergebruikte delen zijn verder niet bemonsterd voor dendrochronologisch onderzoek.

De stijlen zijn opmerkelijk lang in verhouding tot de lengte van de liggerbalken. Dit is een bouwwijze die vanaf ca. 1800 voorkomt. De draaghouten liggen nagenoeg recht boven de stijlen en dat wijst op een jongere bouw. Mengvormen van verschillende bouwmethoden komen veel voor.

Er zijn veel merktekens aangetroffen op de balken. Het hieronderstaande merk laat links het nummer van de balk zien. De streep met het kruisje is een kwaliteitsmerk en staat voor “eerste kwaliteit”. De tekens recht staan voor de dimensionering van de balk. Dit type merktekens werd gebruikt in de havens van Stetin, Gdansk en Riga. Het was het gevolg van de poging om tot een standaard voor bouwhout te komen. Deze tekens komen pas in de eerste helft van de negentiende eeuw in gebruik.

De stijlen zijn zoals al gezegd van Pools- of Baltisch grenen en de hoeken van het hout zijn niet afgeschuind. Dat geeft aan dat de constructie van vóór 1860 moet zijn. Daarna is vrijwel al het zwaardere constructiehout wél afgeschuind. Waarschijnlijk door een tekort aan goed bouwhout. De vurenhouten stijl verraadt dat de bouw van ná 1848 moet zijn. Tot dusverre is er nog nergens vurenhout aangetroffen in de zwaardere constructiedelen van boerderijen van vóór 1848. De kenmerken van het hout en van de bouwwijze wijzen dus op een bouwperiode van tussen 1848 en 1860.

In totaal zijn er dertien boorstalen afgenomen; zes stuks van het bintwerk van de schuur, drie van het dorshuis, twee van het voorhuis en twee van het lytshûs.

Het eindjaar mét wan van boorstaal FR16403, genomen van een stijl van de schuur is 1853. Hetzelfde jaar geeft boorstaal FR16407 genomen van een zolderbalk van het dorshuis. De andere boorstalen van de schuur en van de dorshuisbalken hebben geen wan maar hebben een eindjaar dichtbij 1853. De conclusie is dat het hout voor de schuur en het dorshuis is gekapt in 1853 en dat de bouw heeft plaatsgevonden in 1854-55.  Van de stalen van de schuur en die van het dorshuis kon ook nog een samengestelde meetreeks worden gemaakt die deze conclusie bevestigd.

Van het eikenhout in het lytshuis kan verder niets worden gezegd. Boorstaal FR16413 heeft als eindjaar 1468 maar het valt niet te zeggen hoeveel jaarringen er ontbreken. Het is wel te verwachten dat het hout uit de eerste helft van de zestiende eeuw is. Er kan niet worden vastgesteld of het hout bij het eikenhout van het voorhuis hoort. Daarvoor zijn er te weinig stalen afgenomen.

Het eikenhout in het voorhuis met staal FR16410 heeft als eindjaar 1522. De laatste jaarring is zeker de spintovergang. Dat is vastgesteld tijdens de boring. Er van uitgaande dat dit hout gewoonlijk een vijfentwintigtal spintringen heeft, plus of min vijf jaar dan is dit hout van 1542-1552.

Zonder twijfel is de huidige grote woning over een veel oudere bouwfase heen gebouwd. Op de achtermuur zijn in de deel oude ankers te zien. De eiken balkenlaag ligt wel vrij hoog wat de indruk wekt dat de balken verlegd zijn.

Conclusie:

De schuur en dorsruimte van de boerderij is gebouwd in 1854-55. Het hout van het lytshûs is zeer oud en hoort mogelijk bij de eiken balken in het voorhuis. Vast staat dat niet. Het eikenhout in het voorhuis is uit de periode 1542-52. Het heeft er alle schijn van dat de zolderbalken nog van het voorhuis van het vroegere langhuis zijn en stammen uit het midden van de zestiende eeuw. Wellicht dat bouwhistorisch onderzoek naar deze restdelen van de eerdere bebouwing hier nog meer over kan onthullen.

 

wan ringen eindjaar
FR16401 90 g grenen Stijl 9 wan N 81 1852
FR16402 f vuren stijl 11 wan J? 80
FR16403 90 g grenen stijl 12 wan J 85 1853
FR16404 g grenen stijl 10 wan J 131
FR16405 g grenen stijl 7 J 86
FR16406 g grenen stijl 8 – 1 cm J? 88
FR16407 90 g grenen Dorshuis rechts 1 J 107 1853
FR16408 90 g grenen dorshuis rechts 2 N 109 1850
FR16409 g grenen dorshuis rechts 3 J 70
FR16410 en eiken middelhuis balk (kast) N 127 1522
FR16411 g grenen lengte balk voorhuis N 88
FR16412 en eiken lytshûs balk N 36
FR16413 en eiken lytshûs balk N 103 1468
FR16490 1/3/7/8 1853

 

Tekst, foto’s, boringen, metingen en datering Paul Borghaerts (c).
Sofware Cdendro 9.1  15-12-2017

Dendrochronologisch onderzoek, Update 7-8-2017

Update 7 augustus 2017

Een goed gefundeerd onderzoek van gebouwen in hun historische context is niet mogelijk zonder een gedegen dendrochronologisch onderzoek.

Dendrochronologie, ofwel hout-tijd-kunde, neemt de jaarringen van het hout als uitgangspunt. Jaarringen hebben bepaalde patronen, die onder andere ontstaan onder invloed van het weer. In geen enkel jaar is het weer precies gelijk. Er zijn altijd verschillen tussen de hoeveelheid regen, zon en de temperatuur. Dat is terug te vinden in de jaarringen die naar de omstandigheden breder of smaller kunnen worden. Omdat weersystemen grote oppervlakten bestrijken laten bomen die niet al te ver van elkaar afstaan een vergelijkbaar patroon in de jaarringen laten zien. Dit is het basis gegeven voor de dendrochronologie.

Stalen vergelijken tegen een referentie met Cdendro

Kalender  
Je kunt van een boom van bijvoorbeeld 300 jaar oud die dit jaar is gerooid, een “kalender” maken door alle jaarringen in te meten. De laatste jaarring vertegenwoordigt dan het huidige jaar. Een andere, kortere houtstaal met hetzelfde jaarringenpatroon kun je naast die kalender leggen. Als de kalender bijvoorbeeld 100 jaarringen meer heeft dan weet je dat de laatste jaarring van de korte staal 100 jaar geleden gevormd moet zijn.

Dendrochronologie is dus het vergelijken van het jaarringenpatroon van houtstalen tegen andere houtstalen of tegen kalenders waarvan je de jaartallen weet. Om goed te kunnen dateren heb je veel kalenders uit veel verschillende gebieden van verschillende houtsoorten nodig.

Hier is meteen ook mee gezegd wat de grootste moeilijkheid is van de dendrochronologie. Waar haal je al die kalenders met de jaarring gegevens van de verschillende gebieden en verschillende houtsoorten vandaan?

Over de eeuwen is er een globale ontwikkeling te zien waarlangs de eerst nog eenvoudige Friese boerderijen zich hebben ontwikkeld tot de reusachtige gebouwen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Verschillende tussenvormen zijn alleen in een bepaalde korte periode gebouwd en andere bouwvormen heel lang en soms gelijktijdig met andere vormen. Het is daarom, ook na bestudering van veel boerderijen, in een aantal gevallen niet mogelijk om op het oog nauwkeurig te kunnen zeggen hoe oud het houtwerk is. Bovendien als er binten bijgeplaatst zijn om de boerderij te vergroten dan is het interessant om de verschillende bouwfasen goed te kunnen dateren. Wanneer is de boerderij gebouwd en wanneer is deze ingrijpend van vorm veranderd? Zonder dendrochronologische dateringen is dit niet met zekerheid te zeggen.

Duizenden bomen
Nagenoeg al het grenenhout dat in Friesland, maar ook in Noord-Holland en Groningen voor de bouw van boerderijen is gebruikt, is afkomstig uit Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten, Polen en Duitsland. Vooral Friese schippers waren betrokken bij het vervoer. Ze brachten het hout ook naar Engeland en Frankrijk en een hele grote afnemer was de V.O.C. voor de scheepsbouw. Er waren duizenden bomen nodig voor de bouw van één schip. Dat zegt wat over de omvang van de transporten.
Het mooie is dat voor de boerderijenbouw het meeste zware hout alleen maar werd gekantrecht. Er werd dan met een bijl en een baardaaks aan vier kanten van de boomstam het schaaldeel afgehakt. Op de hoeken van het hout is soms de buitenkant van de boom nog net te zien, de “wan” genaamd. Voor de huizen- en scheepsbouw werden de bomen verzaagd tot handzamer timmerhout. Dat betekent dat het hout, dat hier in het noorden in de boerderijen kan worden gevonden, bij uitstek geschikt is voor dendrochronologisch onderzoek. Het zijn nagenoeg nog de volledige, alleen maar gekantrechte, stammen. De kennis die daar uit voortkomt, is niet alleen relevant voor Friesland zelf, maar is ook heel belangrijk voor onderzoekers in de steden zoals Amsterdam en de rest van het noorden van Nederland en voor onderzoekers die zich met de vroegere houten scheepsbouw bezighouden zoals van de V.O.C.

Om zinnig vergelijkend onderzoek te doen, moet je veel gebouwen onderzoeken
In het begin van mijn onderzoek zijn er, met ondersteuning van de Boerderijen Sichting Fryslân en onder leiding van Odwin Ralling, 60 stalen van 15 boerderijen geboord en naar het laboratorium van de dendrochronoloog Pressler in Duitsland gestuurd. Pressler kon niet heel veel van de stalen zelf dateren en stuurde de inmeetgegevens door naar het Deutches Archäologisches Institut. Ook toen werden er in totaal minder dan 25 stalen gedateerd en daarvan 10 met een grote mate van onzekerheid. Dit was een kostbare aangelegenheid met een mager resultaat. De oorzaak is, dat tot dusverre de laboratoria vooral eikenhout hebben gedateerd.  Grenenhout heeft zijn eigen herkomstgebieden en kan niet met kalenders voor eikenhout worden gedateerd.

Inmiddels heb ik (augustus 2017) van 147 gebouwen boorstalen afgenomen. Ruim 1100 stalen  in totaal waarvan de meerderheid, 600,  van grenenhout, 200 van vurenhout en 300 van eikenhout.

Samenwerking
Dendrochronologie wordt hoofdzakelijk gedaan door universiteiten zoals die van Utrecht of  van Lund in Zweden, en door zelfstandig werkende dendrochronologische bureaus. Hoe meer een dendrochronoloog kan dateren, hoe meer klanten gebruik zullen maken van zijn diensten. Het is dus heel goed te begrijpen dat men binnen de dendrochronologische wereld zijn kalenders niet zomaar publiceert. Dat maakt samenwerking binnen de dendrochronologie niet gemakkelijk. Mijn ervaring is dat men graag voor anderen dateert, maar beslist het referentiemateriaal, de kalenders en de inmeetgegevens niet uit handen geeft. Die vormen immers in zekere zin het bedrijfskapitaal.  Daardoor is er echter geen controleerbaar bewijs hoe de datering tot stand is gekomen. Er is geen enkele mogelijkheid om de datering door een ander te laten verifiëren. De stalen worden meestal niet geretourneerd en zijn daarmee verloren voor nader onderzoek in de toekomst. Deze manier van werkenstrookt niet met het wetenscghappelijke ideaal van controleerbaarheid en doet het vak ook geen goed.
Wat anderen hier over schrijven

Data-analyse
Gezien de veelheid aan boerderijen en stadspanden die hier in Friesland staan en het enorm grote herkomstgebied van het hout vormt Friesland een grote bron van stalenmateriaal voor dendrochronologisch onderzoek. Het herkomstgebied is, voor één derde van het eikenhout van voor 1650, Zuid-Duitsland. Verder komt het hout (eiken, grenen, vuren en dennen), zoals al eerder gezegd, uit de landen rond de Oostzee; Noorwegen, Zweden, Finland, Rusland, de Baltische Staten, Polen en een stukje Oost-Duitsland. Het lijkt er sterk op dat via de invoerhavens zoals Harlingen en Hindeloopen voornamelijk op bepaalde havens rond de Oostzee werd gevaren waar men handelsovereenkomsten mee had of waar men zelfs eigen handelskantoren had. Het is bekend dat 80% van de schippers die Narva verlieten met hout afkomstig waren uit Hindeloopen. Over de eeuwen verschuiven die “favoriete” herkomsthavens van het hout.  De kalenders die uit het Friese hout kunnen worden samengesteld zijn daardoor beter geschikt om Fries hout mee te dateren dan de meer algemene kalenders. Het meeste hout is inmiddels al goed te dateren. Moeilijk blijft het grenen en vurenhout dat uit het enorme achterland van Rusland via havens als Narva naar Nederland kwam. Dit is in de dendrochronologie nog een onontgonnen gebied. Juist omdat er van dit hout nog zoveel te vinden is in Friesland biedt dat een grote kans om ook hier goede kalenders voor te maken.

Cultuurhistorische schatkamer
De medewerking aan het onderzoek vanuit de eigenaren van de onderzochte boerderijen (en inmiddels ook stadspanden) is enorm en hartverwarmend. Het gaat om belangrijk Fries cultureel-historisch erfgoed en de eigenaren voelen zich daar vrijwel zonder uitzondering erg bij betrokken. Zij leven immers in die monumentale “kathedralen in het landschap”. Door die geweldige medewerking en interesse van de eigenaren kan ik veel gebouwen onderzoeken en een groot bestand aan stalenmateriaal, foto’s en meetgegevens opbouwen. Belangrijk is echter dat het stalenmateriaal in Friesland blijft en toegankelijk voor onderzoek is. Toekomstige onderzoekers kunnen mogelijk dingen aflezen van de stalen, die met de huidige stand van zaken nog niet mogelijk zijn.

Ik heb het voornemen een Stichting “Fries Historisch Bouw Hout”op te richten. De stichting zal zich gaan inzetten voor het verzamelen van houtstalen om zo een ruime database van in Friesland gebruikt bouwhout op te zetten met als één van de doelen om bouwhistorisch onderzoek te ondersteunen. Hierover later meer.

Paul Borghaerts, Easterein, 7 augustus 2017(c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

 

Hergebruik van constructiehout in de boerderijbouw

Hergebruik van bouwmaterialen is over de eeuwen een goed gebruik geweest. In tegenstelling tot vandaag de dag waren vroeger de kosten voor de bouwmaterialen hoog en de arbeidskosten laag. Het was dus haalbaar en goedkoop om nog goede bouwmaterialen in de nieuwbouw te hergebruiken. Het hout was vroeger van een veel betere kwaliteit. Het kon probleemloos eeuwen mee, voor zover althans dat het dak goed dicht werd gehouden.

De oudst bekende, in primair gebruikt eikenhout gebouwde, Friese boerderij van de familie Van der Hoff uit Roodhuis is van 1596 en de ruim 420 jaar oude eikenconstructie is, op nkele plekken na waar vroeger lekkages zijn geweest, nog steeds in een uitstekende conditie. Dat is ook zo voor de eikendelen van de boerderij van de familie De Vries in Drogeham. In deze boerderij zijn ruim 500 jaar oude eiken constructiedelen te vinden uit 1510! Bij deze boerderij is gedeeltelijk wel sprake van meer aantasting van het hout, maar dat komt doordat een gedeelte van het hergebruikte eikenhout vroeger onderdeel is geweest van een open hooiberg. Hooiberg onderdelen die onbeschut in weer en wind hebben gestaan, en later zijn hergebruikt, laten aan de buitenkant altijd een sterke mate van aantasting zien. De kern van het hout is dan vaak nog in een prima conditie. Ook het vroegere grenenhout kon de tand des tijds prima doorstaan. Omdat grenen een dikkere laag spinthout heeft dan eiken is de buitenkant van het echt oude grenenhout wel meer aangetast dan eikenhout uit dezelfde periode. Ten noord oosten van Grou (Leechlân 3) staat een boerderij, van de familie De Vries, waarvan de grenen stijlen allemaal van rond 1625 zijn; inmiddels bijna vier eeuwen oud. 
Boerderijen met vergelijkbaar oud grenenhout zijn hier en daar nog te vinden. In de steden staan huizen met eiken constructie's die nog veel ouder zijn dan de oudste boerderijen. Boerderijschuren staan veel open en er staat vee in dat veel vocht afgeeft. Huizen worden over het algemeen beter dicht gehouden en verwarmd. Perfecte eikenconstructies uit de 15e of 14e eeuw zijn dan niets bijzonders. Onlangs heb ik eikenhout uit een, helaas afgebroken, pand uit Franeker gedateerd op 1433! Kortom, goed hout gaat eeuwen en eeuwen mee als het dak maar dicht wordt gehouden.

 

Ruwweg kunnen de volgende vormen van hergebruik van constructiehout worden onderscheiden:

  • een boerderij werd in zijn geheel verplaatst;
  • onderdelen van de oude boerderij (of van elders) werden hergebruikt bij de bouw van een nieuwe boerderij;
  • de bestaande schuur werd verlengd;
  • de stijlen van een hooischuur of hooiberg werden hergebruikt en met nieuw hout voor de draaghouten en liggerbalken aangevuld;
  • een nieuwe boerderij werd opgetrokken van alle mogelijke stukken hergebruikt hout.

Het verplaatsen van de boerderij
Er zijn meerdere spraakmakende verhalen van boerderijen bekend waarbij een boerderij óf op het eigen perceel werd verplaatst óf naar een dorp verderop werd verplaatst. Een verplaatsing op de eigen grond kon bijvoorbeeld nodig zijn als er een nieuwe weg werd aangelegd en de boerderij door de verplaatsing een betere ontsluiting kreeg. Bij de nieuwbouw van een (grotere) boerderij werd het bintwerk van de oude schuur soms in zijn geheel verkocht en verplaatst. Die verplaatsingen, waar hele dorpsgemeenschappen bij betrokken waren, waren zo indrukwekkend dat er lang over gesproken werd. Zozeer zelfs dat het achteraf lijkt of die verplaatsingen schering en inslag waren. Dat is echter niet het geval, het zal in feite zelfs zelden zijn gebeurd.

Wat er mogelijk verward wordt is dat er, bijvoorbeeld bij de aanleg van een nieuwe weg, een nieuwe boerderij nabij die weg werd gebouwd en dat de oude boerderij werd afgebroken. Het bouwhout en de stenen van de oude boerderij werden daarbij dan al of niet hergebruikt. Daar zijn veel voorbeelden van. In de volksmond heet het dan dat de boerderij is verplaatst maar in werkelijkheid is alleen de woonplek verplaatst maar niet het gebouw zelf.

Zo zijn er wel drie verhalen van verschillende boerderijen in Oosterend die in hun geheel zouden zijn verplaatst. De gebouwen waren al heel oud,dacht men. Vroeger hadden de boerderijen een flink stuk verderop gestaan. Uit de datering van het hout blijkt echter dat het in alle drie de gevallen een jonge boerderij betreft en uit archief onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld de "oude" boerderij op Eeskwert nog minstens 30 jaar is blijven staan tot deze in 1912 werd geruimd.

 

Hergebruik van hout in een nieuwe boerderij
Over de eeuwen zijn de boerderijen alsmaar groter geworden. Voor de grotere delen van de constructie zoals voor de stijlen en de liggers van de nieuwe boerderij konden de oude en kortere stijlen en liggerbalken niet hergebruikt worden.  Meestal zie je hergebruikt bouwhout dan ook alleen maar in de kleinere delen van de nieuwe constructie, vooral als jaagband en korbeel.

Hergebruikt hout in de kleinere constructiedelen van een nieuwe boerderij.

Er zijn talloze voorbeelden van hergebruikt hout. Heel vaak zijn de jaagbanden of korbelen gemaakt van oude eiken hooibergroeden of hooischuur onderdelen, te herkennen aan de kapgaten in het hout. De oude vloerbalken van een afgebroken voorhuis zijn ook heel geschikt om als jaagband te dienen. Het valt nooit te bewijzen dat het hergebruikte hout van de voorganger van de nieuwe boerderij afkomstig is maar heel waarschijnlijk is het wel. Op het moment dat er een nieuwe boerderij wordt gebouwd, wordt immers de oude ook afgebroken. Bintwerken gaan erg lang mee. Drie of vier eeuwen is niets bijzonders. De kans is daarmee niet groot, wanneer er een nieuwe Friese boerderij werd gebouwd, dat de voorganger ook al een Friese boerderij was. Het is veel waarschijnlijker dat de voorganger nog een langhuis was. Als het hergebruikte hout duidelijk van een hooiberg of hooischuur afkomstig is, kan dat een extra aanwijzing zijn dat er voor het nieuwe gebouw een langhuis met hooiberg of hooischuur stond. Hergebruikt eikenhout is nagenoeg altijd van vóór 1600.

Als een gebinte van een boerderij drie eeuwen meegaat en de Friese boerderij eigenlijk pas vanaf 1600 overal in het landschap verscheen, dan gaan die bintwerken tot ver na 1900 mee. Je kunt dus vrij algemeen stellen dat alle tussen 1600 en 1900 nieuwgebouwde Friese boerderijen als voorganger een langhuis hadden. Als vrijwel altijd de voorganger van een nieuw gebouwde Friese boerderij een langhuis was dan is ook nog te achterhalen waar allemaal nog langhuizen stonden op een bepaald moment. Stel dat we uitzoeken welke Friese boerderijen jonger dan 1800 zijn, dan weten we meteen dat die boerderijen dus nog langhuizen waren in 1800.

 

Het verlengen van een bintwerk

In lijn van het voorgaande ligt het voor de hand dat de bintwerken, die eeuwen meekonden, wél aangepast moesten worden aan de ontwikkelingen. Door grondverbetering en landaankopen was er meer bergruimte nodig. De meest voor de hand liggende vorm van hergebruik van een bintwerk is door deze simpelweg naar voren of naar achteren te verlengen met een extra bint. Dit kwam ontzettend veel voor. Soms, als het voorhuis ook werd vernieuwd, werd er aan de voorkant een bint bijgeplaatst en schoof het voorhuis 6 tot 7 meter op naar voren (zoals bijvoorbeeld is te zien in de boerderij van de familie Reitsma in Easterwierrum), maar meestal vond de uitbreiding aan de achterkant plaats. Op een relatief goedkope manier kon de boerderij dan flink vergroot worden. Opvallend is dat deze boerderijen goed herkenbaar zijn in het landschap. Ze hebben door het oude bint een wat lage nokhoogte en zijn in verhouding te lang; Het type van de “lage lange rug”. Dit soort verlengingen begon al ruim voor 1800 en  werd heel veel toegepast. Het interessante hieraan is dat er altijd een oud bintwerk is te vinden in de boerderijen van het type van de “lage lange rug”. Voor het onderzoek naar de boerderijbouw bestaat dit type uit de oude vorm die het had vóór de verlenging en de vorm van ná de verlenging.

De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Met dank aan Lolle Baarda uit Burgwerd die mij attent maakte op de bovenstaande foto (privébezit fam. Galema)
In Burgwerd staat de boerderij van de familie Galema, gebouwd in 1863 en verlengd in 1925. De boerderij is gebouwd in noordzweeds grenen rondhout. Wonderlijk genoeg komt het hout van de bouw in 1863 uit precies hetzelfde gebied als het hout van de verlenging van 1925. Toeval of is de verlenging uitgevoerd door hetzelfde aannemersbedrijf met contacten in Zweden? Dat weten we allemaal nog niet. Waren er houtinkopers die met vaste handelskantoren in het buitenland werkten of bestelden de aannemers hun hout al zelf? Dat laatste lijkt niet heel waarschijnlijk. Verder onderzoek zal hier hopelijk ook wat duidelijkheid in kunnen verschaffen.

 

Het hele bintwerk optillen

Er kan ook ruimte worden gewonnen door de hele schuur als het ware op te tillen en te verhogen.

De schuur kan verlengd worden met een extra bint, maar een nadeel daarvan is dat het veeverblijf en het schuurpad wel langer worden maar niet breder. De nokhoogte en de breedte van de schuur verandert immers niet. Een andere manier om ruimte te winnen is door de schuur in zijn geheel op te tillen en de klippen flink te verhogen.

Eigenaar Pieter-Karst Bouma bij een flink verhoogde klip

De nok wordt dan evenveel hoger en bij een gelijk blijvende dakhelling kunnen de buitenmuren evenveel worden verhoogd of een stuk naar buiten worden geplaatst, óf allebei.

Een goed voorbeeld hiervan is de boerderij van de familie Bouma in Winsum. De originele constructie van de schuur is van 1691. De klippen zijn hier wel anderhalve meter verhoogd. Mogelijk is dat rond 1880 gedaan. Daarmee is het volume van schuur onder het vierkant ruim 20% groter geworden.

 

 

De oude hooischuur van het langhuis wordt in de nieuwe Friese boerderij opgenomen

Eiken vierkant van een hooischuur opgenomen in een Friese schuur

Een heel bijzonder vorm van hergebruik is het als een enkel of dubbel vierkant van een ooit losstaande hooischuur van een langhuis is opgenomen in de Friese schuur die als vervanger voor het langhuis werd gebouwd. De korte stijlen van de voormalige hooischuur staan dan op relatief hoge klippen (poeren). Die hoogte kan wel anderhalve meter zijn. In een geval als dit zijn zowel de stijlen als de liggerbalken van de oude hooischuur hergebruikt.

Een schitterend voorbeeld hiervan is de boerderij van de familie Brandse op de útbuorren Flansum bij Irnsum. Het eikenhout van de hergebruikte hooischuur is 16e eeuws en het voorste en achterste bint en de draaghouten en jaagbanden zijn van 1835. Op de foto zien we de middelste eiken stijlen van de voormalige hooischuur zoals deze is opgenomen in de rond 1835 nieuw gebouwde Friese schuur.

 

Een allegaartje van hergebruikt bouwhout
Soms is er in een boerderij hier en daar wat hergebruikt hout te vinden, maar er zijn er ook die totaal van hergebruikt materiaal zijn gebouwd. Alleen de lange draaghouten zijn dan van de bouwdatum. Er is zelfs een boerderij waarvan de stijlen bestaan uit aan elkaar “gelaste” stukken hout die met zware stukken ijzer aan elkaar zijn verbonden.

Een samenstelling van allerlei hergebruikt hout.

Soms gaat het om een compositie van allerlei houtsoorten  van verschillende herkomst; van scheepsmasten tot balken uit afgebroken staten en van hooibergroeden tot hooischuurstijlen, met overal de zichtbare sporen van dat eerdere gebruik. Een rommeltje met elkaar. Een gedeelte in slechte staat en andere delen nog gaaf. Het zijn er niet veel maar ze zijn nog te vinden en ze doorstaan ook nog de tijd.

Het voorhuis en de schuur van een boerderij kunnen gelijk zijn gebouwd maar heel vaak is dat niet het geval. Als de schuur niet meer voldeed werd er een nieuwe gebouwd en dan werd het voorhuis vaak behouden, of andersom. Als het voorhuis niet meer voldeed werd dit aangepast of nieuw gebouwd maar bleef de schuur ongewijzigd. Er zijn legio voorbeelden waarbij de schuur en het voorhuis verschillend dateren. Voorhuis en schuur hebben ook een totaal andere functie. Als een schuur flink werd uitgebreid waren er wel grotere werkvertrekken nodig om de melk te kunnen koelen en karnen. Het karnvertrek valt nagenoeg altijd onder het dak van de schuur. De molkenkelder waar de melk werd gekoeld viel ook onder het dak van de schuur op de hoek, tenminste als de schuurdeuren aan de achterkant zitten, óf in het voorhuis. Het opschalen van de molkenkelder kan een reden zijn geweest om ook het voorhuis te vergroten.  De voorhuizen bij de langhuizen waren 2,5 tot 3,5 vak lang. (gebaseerd op archiefdata). Dat wil zeggen dat de meesten ruwweg tussen de 6 en 8 meter lang waren inclusief de voor- en achtermuur dikte. Breed zijn ze tussen 5,5 en 6,5 meter. Die maatvoering werd bepaald door de binten die oorspronkelijk van het voorhuis tot helemaal achter in het buitenhuis doorliepen.

Het is opmerkelijk hoeveel boerderijen vandaag de dag nog een relatief klein voorhuis hebben. Het lijkt erop dat de voorhuizen qua fundering of maatvoering nog uit de tijd van het langhuis stammen. Interessant om eens nader te onderzoeken. Er zijn vaak nog heel oude muurstukken terug te vinden in de voorhuizen. Bij de eerder genoemde boerderij van Brandse op Flansum vonden we, op aangeven van de eigenaar, een eiken staander van een voorhuisbint terug in de muur. Ongetwijfeld stamt die muur nog van het langhuis. De bintstijl is van de eerste helft van de 16e eeuw!

 

Easterein 1 augustus 2017.  Tekst, foto’s en dendrochronologische ouderdomsbepalingen: Paul Borghaerts (c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

Doorsnede tekeningen: Meinte Hendriks van Wietse B. Ligthart Bouw-Tekenburo

De state Klein Oenema

Klein Oenema state, nu behorende den heer Jacob Fenema en bevorens den president der hoogen krijgraets deezer landen Koenraet van Unkel, te Wirdum 1724 J. Stellingwerff.

Op de tekening van Jacob Stellingwerff uit 1724 is Klein Oenema zichtbaar als een hoofdgebouw met de ingang en gang in het midden van het hoofdgebouw en met kamers links en rechts van deze gang. Daarboven zijn nog een verdieping en een zolder zichtbaar. De bijgebouwen zijn naar links uitgebouwd. Er valt niet te zien of er aan de achterkant ook een boerenschuur met het hoofdgebouw verbonden was.

Klein -Oenema 2017. Foto Paul Borghaerts

Behalve dat de toegangsdeur nog in het midden van het hoofdgebouw zit is er nu, 300 jaar later, bijna niets meer in de huidige vorm van Klein Oenema  te herkennen dat nog aan de tekening van Stellingwerff doet denken.  De uitbouw staat nu niet meer naar links maar naar rechts. Het huis is volledig opgenomen onder het dak van de schuur, de tussenverdieping is verdwenen en verder is er een molkenkelder onder de linker kamer geplaatst. Het gebouw heeft nu dus links een molkenkelder met daarboven een opkamer en rechts een zijkamer. Er is dus nogal wat veranderd, dat wil zeggen, als we ervan uitgaan Dat de tekening van Stellingwerff correct is en dat de naam Klein Oenema bij het juiste pand is overgeleverd.

Het voorhuis is in 1848 als een stelp onder één dak gebracht met de schuur. Op de website over stinsen in friesland staat de volgende tekst vermeld:

Op 15 november 1844 brak er brand uit op Oenemastate. Jarenlang heeft het terrein een troosteloze aanblik gegeven omdat de verzekeringmaatschappijen in een juridisch gevecht waren verwikkeld. Pas in 1848 is de statige huizinge gesloopt. Op dezelfde plaats verrees een nieuwe stelpboerderij.

 

Dit artikel gaat over de vraag of het gebouw, zoals het er vandaag de dag nog staat, bouwkundig een relatie heeft met het gebouw zoals het op de tekening van Stellingwerff is afgebeeld. Nieuw in relatie tot eerdere publicaties over Klein Oenema is dat nu de verschillende bouwdelen dendrochronologisch zijn onderzocht. Dat werpt een geheel nieuw licht op de situatie.

Het huidige Klein Oenema is een stelpboerderij. Het dak van de schuur is over de statige woning heen gebouwd.  De draagstijlen van het dak van de schuur zijn van vurenhout. De voorste twee stijlen staan op de balkenlaag van het voorhuis. Onderaan zijn de stijlen nog gekantrecht maar het dunnere bovenste deel is rondhout. Vurenhout werd in de tweede helft van de negentiende eeuw veelvuldig gebruikt in de boerderijbouw in Friesland. Dit is wel een van de eerste boerderijen geweest waarin vurenhout werd toegepast. De stijlen zijn bovenin wat mager. De liggerbalken zijn van Baltisch grenen gemaakt, zwaar uitgevoerd en gekantrecht.

Inmeet detail van een boorstaal uit de achterste grenenhouten liggerbalk van de schuur van Klein Oenema. Gekapt voorjaar/zomer 1846. Datering Paul Borghaerts aan de hand van de collectie Baltisch grenen verzameld in Friesland.

Blijkbaar vertrouwden ze het vurenhout niet voldoende om ook de ligger-balken in vurenhout uit te voeren. In latere gebouwen komt het voor dat de hele constructie, inclusief de liggerbalken, in vuren is uitgevoerd. De schuur van Klein Oenema laat dus een overgangssituatie van grenen- naar vurenhout zien. Vurenhout is over het algemeen moeilijk dateerbaar, maar het grenenhout van de ligger-balken dateert op 1846. De boerderij kan dus heel goed in 1848 gebouwd zijn. zoals vermeld in de bronnen.

Rondhouten vuren stijl met een gekantrechte grenen liggerbalk.

De brand in 1844 en de herbouw.

Volgens de bronnen zou de statige huizing in 1848 zijn gesloopt, waarna op dezelfde plek een nieuwe stelpboerderij verrees. Dat zou betekenen dat de hele boerderij, huis en schuur, nieuw gebouwd moeten zijn in 1848. Dat lijkt echter merkwaardig. Het huidige voorhuis, onder het stelpdak, is statig van uitstraling met hoge kamers en is gebouwd op een manier die je in stelpen uit de negentiende eeuw niet tegenkomt. Het lijkt eerder op een vroegere adellijke huizinge dan op een rond 1848 gebouwde stelp. De volgende foto maakt de puzzel nog lastiger.

Achteraanzicht van de woning gezien vanuit de schuur.

Op de achtermuur van de woning is duidelijk de aftekening van een vroegere aanbouw te zien.

De muur rond de aftekening is verweerd en dat moet van vóór de herbouw zijn. Het huidige dak loopt immers over de woning heen. De constructie van het dak bestaat uit bouwmateriaal uit één bouwfase. De mogelijkheid is dus uitgesloten dat het dak na 1848 nog een keer is aangepast en dat deze muur eerst nog gedeeltelijk een buitenmuur was. Klein Oenema was voor de brand al een boerderij, dus hier is de aanzet te zien van die eerdere boerderij. In de muur is ook nog de vroegere doorgang naar de molkenkelder te herkennen. Op de rechter hoek van de achtermuur is rechts naast de stijl zeventiende eeuws metselwerk te zien.

Het klopt dus niet dat de statige huizinge helemaal is gesloopt in 1848.

 

 

 

In december 1981 heeft de heer H. Nota De geschiedenis van Klein en Groot Oenema op schrift gesteld in het dorpsblad van Wytgaard. Het was een lastige opgave om de nogal door elkaar lopende geschiedenissen van Groot- en Klein-Oenema helder uiteen te zetten. D. van de Meer was hierbij behulpzaam. Niet alleen was er de grote brand van 1844, maar Oud-Oenema was volgens het artikel ook al een keer in 1756 grotendeels afgebroken en herbouwd.

Voor de brand van 1844 was het gebouw gelijktijdig bij twee verzekeraars verzekerd geweest, zo schrijft H. Nota. Dat leverde een lange juridische strijd op. In het in het artikel aangehaalde verhaal van een van de verzekeraars staat op bladzijde 15 duidelijk dat de boerenhuizinge volledig verbrand was maar dat het herenhuis voor de brand bewaard was gebleven. De andere verzekeraar schrijft over de “Heerenhuizinge benevens de boerenhuizinge”, dat er brand is geweest en dat de boerenhuizinge volledig is uitgebrand. In beide gevallen komt het erop neer dat het herenhuis gespaard is gebleven. Het was heel gewoon dat er achter en aanpalend aan een state een boerenhuizinge was. De adel woonde in het voorhuis, het herenhuis, en de boer met de zijnen in het middel- en achterhuis. Vermoedelijk heeft Nota het onderscheid tussen herenhuizinge en boerenhuizinge niet gekend en zodoende ten onrechte foutief geconcludeerd dat het geheel was afgebrand. Maar ook in Het Aanwijzingsdocument Gemeentelijk Monument wordt vermeld dat delen van de binnenbetimmering van voor de brand moeten dateren.

We weten nu dus zowel uit de beschrijvingen van de verzekeraars, opgenomen in het werk van Nota, als door de bouwsporen op het achtermuur van het voorhuis van het huidige Klein Oenema en uit het “Aanwijzingsdocument Gemeentelijk Monument” dat het voorhuis, het herenhuis, bij de brand gespaard is gebleven en dat het er voor 1844 al stond.  Het is mogelijk dat het voorhuis in 1848 wél enigszins verbouwd is, maar zelfs dat acht ik niet heel waarschijnlijk. Als de schouw in de opkamer uit een eerdere periode dan 1844 stamt dan was ook de molkenkelder onder de opkamer er al en is er aan het voorhuis in 1848 geen structurele verbouwing geweest.  Mogelijk is er toen aan de zijkamer en aan de gang wat veranderd. De zolderkamers en het dak van het voorhuis werden in ieder geval wél afgebroken waarna de nieuwe schuur over het voorhuis heen kon worden gebouwd.

In het voorhuis zit onder de opkamer een molkenkelder met een opmerkelijk zwaar eiken balkenplafond. Dat zijn dus ook de draagbalken van de opkamer vloer. De balken liggen in de dwarsrichting van het gebouw, dus van voor naar achter. De overspanning is groot, wel zes en een halve meter. De balken zijn rechthoekig. De dikste meet maar liefst 29 bij 30 cm. Er zijn op de zijvlakken van de balken sporen van spijkers en andere bouwsporen te zien die geen relatie met de huidige functie hebben en die erop wijzen dat de balken verlegd zijn of dat de vorm van de ruimte iets anders is geweest. De sporen van de eerdere spijkers en het ontbreken van kapgaten wijst erop dat de balken wel altijd als vloerbalk hebben gediend.

Zware eiken balken tussen molkenkelder en opkamer.

Tussen de balken zit nog een dikke isolatielaag. Zonder die zou helemaal goed te zien zijn hoe zwaar de eikenbalken zijn. Meestal zit het hart van de boom ergens middenin de balk. De boom is dan net dik genoeg om er één balk uit te halen. In dit geval zit bij alle balken het hart op de hoek. De eikenbomen waar de balken uitkwamen waren gigantisch. Er werden vier van deze zware balken uit één boom gezaagd! Uit het dendrochronologisch onderzoek is inderdaad gebleken dat een aantal balken uit dezelfde boom afkomstig is. De bomen moeten ruim een meter dik zijn geweest.

Vier boorstalen van deze eikenbalken hebben tot een datering geleid.  Op de eerste balk vanaf de ingang van de molkenkelder na heeft geen van de balken een wan, dat is de buitenste ring van de boom. De jongste jaarring van staal FR11005, die uit deze eerste balk is genomen, is van 1625.  Het buitenste spinthout met wan zit nog wel aan de balk zelf maar is helemaal verwormd en verpoederd. Dit staal mist dus alleen het spinthout. Het valt aan te nemen dat dit staal een twintigtal spintringen mist (+/-5) en dat de eikenboom in 1645 +/- 5 jaar gekapt is, dus tussen 1640 en 1650. De boom was toen rond de 220 jaar oud en is net als alle andere eiken balken van de molkenkamer afkomstig uit Duitsland.

Eikenstaal Fr11005 afgenomen uit de eerste balk vanaf de ingang van de molkenkelder van Klein- Oenema. Datering Paul Borghaerts. Cdendro 9.0.

 

De zolder van het voorhuis is niet ingetimmerd. Op deze zolder sta je direct onder het dak van de schuur die over het voorhuis reikt. Aan de voorkant van de zolder, nagenoeg in het midden bevindt zich een klein werkluik. In overleg met de eigenaar Jaap de Boer is dat luik geopend en later zijn er een paar zolderplaten verwijderd om dendrochronologisch onderzoek naar de balkenlaag te kunnen doen.

 

Het luik geeft toegang tot een ondiepe kruipruimte tussen het plafond van de kamers en de zoldervloer. Precies onder het luik zit de middenmuur die de scheiding vormt tussen de twee kamers van het voorhuis.

Naar links, boven de zijkamer, is onder deze vloer een balkenlaag te zien met een bruine kleur die over de oorspronkelijke blauwe kleur is geschilderd en naar rechts, boven de opkamer, is er een rood geverfde balkenlaag met gouden biezen te zien. De balkenlagen van beide kamers zijn van onderaf weggetimmerd en niet meer zichtbaar. De balken liggen net als in de molkenkelder van voor naar achter over het voorhuis en zijn ruim 6,5 m lang. De zijkamer is 6,60 m breed en 6,44 m diep en de opkamer 5,50m breed en 6,44 m diep. Tussen de kamers liep oorspronkelijk een gang, maar deze is tegenwoordig bij de zijkamer getrokken. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de zijkamer in de huidige situatie  1,10 m breder is dan de opkamer. De voordeur in het midden van de voorgevel komt nu rechtstreeks in deze zijkamer uit.

De beschildering van de balken houdt precies bij de muren op. Er is niets aan de balken te zien dat aanleiding geeft te denken dat de balken hergebruikt zijn. Er zijn geen brandsporen maar dat viel ook niet te verwachten. De balken boven de opkamer laten maar één kleurlaag zien; een prachtig diep rood met een smalle bladgouden bies op de zijvlakken die op ca. 5 cm van de bovenkant en onderkant over de hele balk is getrokken. Op de bovenkant van de balken is aan de spijkergaten te zien dat de loopvloer vroeger rechtstreeks op de balken was bevestigd.

Van de blauwe balken boven de zijkamer zijn twee boorstalen afgenomen, van de balk die midden tussen de twee kamers op de muur ligt één, en van de rodebalken boven de opkamer ook twee boorstalen.

Staal FR11020 heeft een wan en dateert op 1644. De eindjaren van de stalen liggen opmerkelijk dicht bij elkaar. De balkenlaag is vrijwel zeker van 1645 in aanmerking genomen dat er meestal niet meer dan een jaar zit tussen het jaar van het kappen van bomen en de verwerking van het hout op de bouwplaats. De blauwe balken van de zijkamer en de rodebalken van de opkamer én de balk die op de middenmuur ligt zijn uit dezelfde bouwfase van grenenhout afkomstig uit Noorwegen. De niet in het zicht liggende middenbalk is niet geschilderd. Een en ander maakt het hoogst onwaarschijnlijk dat deze balken uit een ander pand afkomstig zouden zijn.

Op de zolder is nog een belangrijk bouwelement te vinden en wel het stukje muur aan de noord-oost zijde dat is blijven staan.

Onderzoek aan dit stuk muur brengt aan het licht dat het een topgevel moet zijn geweest. Links en rechts van het raam dat er nu zit, is in het metselwerk de aftekening te zien van twee kleinere symmetrisch in het vlak geplaatste raamsparingen van 58 cm breed, met de onderkant op 50 cm van de zoldervloer. (70cm  van de zolderbalken). De raamsparingen zitten beide op ongeveer 180 cm van respectievelijke voor- en achtergevel. De muur is rechts aangeheeld voor de huidige situatie, maar de vroegere schuine lijn van het dak is nog goed te zien. Op de plaats waar nu het grote raam zit moet het schoorsteenkanaal hebben gelopen.

De ontdekking van dit stuk muur met oude raamsparingen is van het grootste belang om de veranderingen die er in de loop van de tijd aan het pand hebben plaatsgevonden vast te kunnen stellen. Het bevestigt in de eerste plaats dat het gebouw vroeger een topgevel aan de oostzijde bezat. In de tweede plaatst maakt de intacte borstwering onder de vroegere ramen duidelijk dat de zolderbalkenlaag niet omhoog of omlaag verlegd is.

Als deze zolderbalkenlaag en de topgevel bouwelementen zijn die er inderdaad ten tijde van de tekening van Stellingwerff blijkbaar al waren dan ontbreekt er in het huidige gebouw één verdieping. Op de tekening zijn immers duidelijk twee verdiepingen te zien.

De zijkamer is onder de weggetimmerde balken 3,93 m hoog. Dat is onvoldoende voor twee verdiepingen. De gezamelijke hoogte van de opkamer en molkenkelder (die overigens onmogelijk later onder het bestaande gebouw toegevoegd kan zijn) meet 5,60 m hoog. Dat is wel voldoende voor twee kamers boven elkaar. De kamers waren dan elk 2,80 m hoog, of als ze ongelijk van hoogte waren, bijvoorbeeld 3,00 m en 2,60 m.

Dat zou dan betekenen dat de vloer van de zijkamer, die nu 60 cm. boven het maaiveld gelegen is, flink verhoogd moet zijn.  Op de tekening van Stellingwerff is de ingang gelijk met het maaiveld geplaatst. Als we het vloerniveau van de molkenkelder als uitgangspunt nemen, zouden de oorspronkelijke toegang en de vloer van de zijkamer dan 1.67 lager moeten hebben gelegen dan nu het geval is. Ook het maaiveld moet dan in de loop van de tijd met ongeveer 1 m zijn verhoogd. Het was echter bij grote verbouwingen niet ongebruikelijk dat het peil van de grond rondom een bouwwerk werd verhoogd. Er zijn veel situaties bekend waar diep onder de vloeren oudere vloerlagen zijn ontdekt. Het verhogen van het peil rond een gebouw was een handige manier om een verzonken molkenkelder te creëren.

Op aangeven van en met hulp van de eigenaar Jaap de Boer kon er een groot luik in de plankenvloer van de zijkamer worden geopend.

 

 

Onder het houten luik bevindt zich een uitgegraven ruimte van 1 bij 1,5 m van ongeveer 60 cm diep. Direct onder de houten vloer ligt een Belgisch zwart marmeren tegelvloer op een dun zandlaagje rechtstreeks op de ondergrond. Zo te zien is dat de originele vloer die bij de huidige zijkamer hoort. De grond onder de marmeren vloer blijkt verstoorde terpaarde te zijn, korrelig bruin-zwart en zichtbaar opgeworpen.  Vanuit het luik is de gestucte tussenmuur te zien en de binnenkant van de voorgevel ter hoogte van de toegangsdeur. Op die voorgevel zijn onder de vloer restjes van witjes te zien. 13 bij 13 cm. In totaal blijken er minimaal negen lagen tegels te hebben gezeten. Verder vinden we op een flinke diepte de restanten van de 2e gangmuur. Vandaag de dag komt de toegangsdeur rechtstreeks in de zijkamer uit maar de gang had vroeger dus twee gemetselde steensmuren op een afstand van 153 cm.

 

Een en ander maakt duidelijk dat de zijkamer inderdaad flink verhoogd is en dat het peil binnen en buiten de woning eertijds ongeveer gelijk met de huidige vloer van de molkenkelder moet zijn geweest.
Wat niet vastgesteld kon worden is of de vloer van de molkenkelder zelf verhoogd is en of de totale hoogte van de woning vroeger misschien nog groter was.
Naast dit alles is in de molkenkelder duidelijk de aftekening te zien van de doorgang die er eertijds tussen de gang en deze ruimte, voordat deze molkenkelder werd, is geweest.

 

Conclusie.
Uit de oostelijke vroegere topgevel met de nog zichtbare raamsparingen blijkt dat de huidige zolderbalken op dezelfde hoogte liggen als tijdens de bouw van het voorhuis.  Aan de hand van de balkenlagen kan de oorspronkelijke bouw van het voorhuis gedateerd worden op ongeveer 1645.  De plafondbalken van de bovenverdieping waren van een prachtig geschilderde blauwe en een rode kamer. Op deze balken lag de zoldervloer.

Deze bovenverdieping is zeer waarschijnlijk het woongedeelte van de adellijke familie geweest.

De zware eiken balken, zoals ze nu nog in de molkenkamer te vinden zijn, vormden hoogst waarschijnlijk de vloer van de verdieping. Ze hebben dezelfde ouderdom (1640-1650) als de zolderbalken.

Het feit dat er ooit nog minimaal 9 lagen tegels onder de huidige zijkamervloer waren bevestigt het idee dat de zijkamer en molkenkamer samen de twee kamers van de beneden verdieping vormden. Als het peil van deze beneden verdieping gelijk of iets hoger was dan het grondpeil buiten dan is de grond rond de woning flink verhoogd. Door de verhoging van de grond rond het pand ontstond er een molkenkelder. De witte tegeltjes onder de zijkamervloer en  de grove afwerking van de muren van de molkenkelder geven het idee dat beneden de werkruimten voor het personeel waren gelegen.

Uit andere bronnen weten we dat er een grote verbouwing heeft plaatsgevonden in 1756. Omdat het timmerwerk in de opkamer ouder is dan 1844 en omdat deze bronnen aangeven dat adellijke huizinge in 1756 omgevormd werd tot een boerderij met statig voorhuis, is het zeer waarschijnlijk dat de huidige kamer indeling met de zijkamer, molkenkamer en opkamer uit die tijd van de verbouwing van 1756 stamt.

In 1848, vier jaar na de brand, is het dak van het voorhuis gehaald en is de nieuwe schuur over het huis heen gebouwd. De voorste bintstijlen werden op de zolderbalkenlaag gezet.

We zullen nooit met zekerheid weten of het huidige gebouw oorspronkelijk hetzelfde gebouw is dat Stellingwerff heeft getekend. De bouwvorm met twee bouwlagen en een zolder en met twee kamers aan weerskanten van de middengang was heel gebruikelijk in die tijd en er waren dus wel meer gebouwen die er ongeveer zo uitzagen. Het valt niet uit te sluiten dat in de archieven Groot en Klein Oenema door elkaar worden gehaald. Er is ook (nog) geen verklaring te vinden voor het feit dat de bijgebouwen die op de tekening staan, op de plek van de huidige slotgracht moeten hebben gestaan. De gracht zou dan verlegd moeten zijn.

Het lijkt er niet op dat de muren van de molkenkelder een restant van een vroegere stins vormen. Er is op de achtermuur van het gebouw geen aanzet te zien waaruit blijkt dat er een stinstoren verbreed zou zijn met een extra ruimte. De buitenmuren van het huis zijn gemetseld met overal dezelfde rode steen en de muren zijn op de begane grond alle vier ongeveer 45 cm dik. Nergens zijn kloostermoppen te ontdekken.

Aanbeveling.
In de verschillende beschrijvingen lijken Groot en Klein Oenema regelmatig met elkaar te zijn verward. Het zou goed zijn om de geschiedenis van beide locaties nog eens diepgaand te onderzoeken.

De tekening van J. Stellingwerf is meer een impressie dan een nauwgezette en realistische weergave. De ingangsdeur is bijvoorbeeld zo klein getekend dat de ramen rechts hoger zitten dan de bovenkant van de deur. Men moet de tekening dus niet in al teveel detail willen interpreteren en vergelijken met de huidige situatie.

 

Chantal Borghaerts ontdekt laag na laag van tegeltjes op de voormuur onder de vloer van de zijkamer van Klein Oenema.

Easterein 13 april 2017.  Tekst, foto’s en dendrochronologische ouderdomsbepalingen; Paul Borghaerts (c).

Redactioneel meelezer; Liuwe Westra, Lollum.

 

Grondplan van een eenvoudige greide-boerderij

Beschrijving van het vloerplan van een eenvoudige Greide-boerderij aan de hand van de tekening die hoort bij het bestek van de nieuw te bouwen schuur op Monsma zaete te Hennaerd in 1709. De opdrachtgevers waren de erven van de oud-burgemeester van Bolsward, Gerben Monsma. Afgezien van wat kleine verschillen is dit schema een paar eeuwen lang het grondplan voor alle greide-schuren geweest. Van aanvankelijk acht à negen stallen tot veertien stallen en van drie tot vijf binten lang. Ondanks dat de schuren door de eeuwen heen groter werden, bleef het basisschema in grote lijnen ongewijzigd. Vanaf ongeveer 1875 werd er geëxperimenteerd met de Hollandse stal, waarbij de koeien met de kop naar de binnenmuur gedraaid staan. Deze experimenten leidden na de Eerste Wereldoorlog tot schuren waarin de voorlopers van de latere ligboxstallen al in het grondplan te herkennen zijn.

De benamingen uit de archieven voor de verschillende gedeelten van het historische gebouw zijn zoveel mogelijk aangehouden.

Op de tekening ligt het voorhuis op de plek waar nu de letter G staat. Het binnenhuis en het buitenhuis moesten van de opdrachtgevers blijven staan. Het oude buitenhuis (het stalgedeelte van het langhuis dat er al eeuwen stond) werd aangepast voor de nieuwe situatie. De losstaande hooischuur werd afgebroken en het hout werd hergebruikt bij de bouw van de nieuwe schuur.


A. In het midden van de Friese schuur liggen de “gollen”, de hooivakken waarin het hooi tot aan het dak toe opgetast werd, met daar omheen vier aflegeringen. Op de tekening weergegeven met de letter B, C, D en E.
B. Het groot-buitenhuis, grut bûthús in het Fries. De stalling van het melkvee.
C. Het kleine buitenhuis, lyts Bûthús. De stalling voor de rieren, de éénjarige koeien, het jongvee en de stier en in dit geval ook de paarden.
D. Het schuurpad, skuorreed. De plek voor de wagens en voor het afladen van het hooi. Achter de schuurdeuren tegen de buitenmuur is de gebruikelijke plaats voor de paardenstal. Langs de lange buitenmuur waren werktafels om kaas te maken.
E. De aflegering voor de karnmolen die werd aangedreven door een klein paard, de kedde genaamd. Verder is hier meestal de ruimte voor de boterbereiding, de tsjernherne, met de karnton en nog een woonvertrek. Soms zit de melkkamer ook onder dit dakvlak, met name als de schuurdeuren aan de achterkant van de schuur zitten zoals in dit geval.

F. Op deze tekening is dit “de kooken”, de keuken en de ruimte voor de boterbereiding. Deze “kooken” is het middelhuis of milhûs van het langhuis dat hier ooit stond.
G. De plek van het voorhuis. Het voorhuis ligt vrijwel altijd in het verlengde van de veestalling, het buitenhuis.

B. Het groot buitenhuis.
vloerplan-groot-buitenhuis

H. De stallen voor het melkvee. De oudste greide-boerderijen hadden acht of negen stallen. De stallen waren rond de 1 meter 80 breed en 2 meter diep. De stallen in het buitenhuis waren vaak verschillend van breedte. Het wat kleinere vee ging in de smalle stallen en het grotere vee in de bredere stallen. Een slimme manier van omgaan met de ruimte! Tegen 1850 waren de stallen al gemiddeld 2,20 m diep en 2,40 m breed. Je ziet dan ook vaak aan sporen in de zoldering of aan de buitenmuur dat de stallen in de loop van de tijd zijn verbreed. Het vee werd groter en had meer ruimte nodig. Het lijkt er op dat er op verschillende momenten heel divers over de juiste maatvoering voor de stalling werd gedacht. Er zijn voorbeelden van stallen gebouwd in de 18e eeuw die bij de bouw al 2,30 m breed zijn en er zijn stallen gebouwd ná 1800 die maar 2,00 m breed zijn. Misschien zegt dat iets over het fokken van vee en over de verschillende opvattingen die de boeren konden hebben over de optimale maat van het vee.

Een “vak” is een ander woord voor een stal. In het langhuis stond tussen elke stal een “koebint”. Dat was de draagconstructie van het dak van het gebouw.  Die koebinten stonden dus op een meter of twee van elkaar, al gelang de breedte van de stallen. In de Friese schuren, en daarvoor ook in het langhuis, staat het vee met de koppen naar de buitenmuur gericht. Elke stal heeft een raampje in de buitenmuur. Je kunt dus aan de buitenkant de raampjes tellen om te weten hoeveel “vak” oftewel hoeveel stallen een schuur heeft. In elke stal staan twee stuks vee. Het verhaal gaat dat vroeger de jongelingen de koeruitjes van de boerderij van de geliefde telden en daaraan wisten hoe rijk de familie was.

I. De groppe, grup of mestgoot. De mestgoot moest een paar graden aflopen naar achteren. Dan kon de urine, de jarre, aflopen naar de sloot en bleef de mest, de dong liggen. De stront werd uit de groppe geschept en samen met het vuile stro uit de veestalling op de mestvaalt, de rûchskerne gegooid om later als rûge dong, over het land verspreid te worden. De urine kwam dus niet samen met de weke stront over het land zoals vandaag de dag.

J. De buitenhuis-vloer,  zo staat hier te lezen in de tekening. De gebruikelijke Friese naam was en is de mielgong.  De buitenhuis-vloer moet gestraat worden met “beste klinkert” staat in de bouwbeschrijving die hoort bij deze tekening. (Zie het kader onder dit artikel met een uitleg over de mogelijke betekenis en ontstaansgeschiedenis  van het woord “mielgong” geschreven door Liuwe Westra).

X. Het lijkt erop dat dit het toilet, het húske, is maar het lijkt mij waarschijnlijker dat het de waterput, de saad, is. Het húske staat gewoonlijk buiten de stal. De saad bevindt zich meestal tegen de binnenmuur van het groot-buitenhuis ongeveer op twee-derde van de lengte. Dat was de beste plek om zowel de dieren in het groot-buitenhuis als de dieren in het klein-buitenhuis van water te kunnen voorzien. Op de put stond een waterpomp waarmee het water in een opvangbak werd gepompt. Daarna kon met emmers het water gemakkelijk uit de waterbak geschept worden. In deze bak werden ook bijvoeders voor de dieren klaargemaakt en gemengd met water.

U. De doorgang naar het middenhuis, de kooken of in dit geval ook de ruimte voor de boterverwerking, de tsjerne.

R. De buitenhuisdeur. De toegang voor mens en vee. Meestal is deze deur een “melkmeisje”, een brede deur met ramen aan weerskanten.

Het klein-buitenhuis.
vloerplan-klein-buitenhuis

Op deze tekening is het klein-buitenhuis ingedeeld op een manier zoals ik die verder nog nergens ben tegengekomen. Mogelijk laat dit unieke document een indeling  zien die later niet meer gangbaar was.

Bij K. L. en M. staatvermeld  dat het de stallen voor jonge koeien zijn, van 6 tot 6,5 voet breed en 7 voet diep, oftewel. 1,90 m bij 2,20 m
O. De peerdestallen.
P. De groppe
Q De klein buitenhuis-vloer

SAMSUNG CSC

Gebruikelijk zijn er in het klein-buitenhuis vier stallen voor de rieren tegen de buitenmuur (A) en drie stallen voor jongvee (D) en een stal voor de stier, de bolle, (E) aan de binnenmuur met daartussen het middenpad (C) met aan weerskanten een groppe (B).

Als de schuurdeuren aan de voorkant zaten dan kon het klein buitenhuis zes vakken voor de rieren aan de achtermuur hebben en als de schuurdeuren aan de achterkant zaten waren er vier vakken voor de rieren.

Het schuurpad, de skuorreed
vloerplan-schuurpad

S. De grote schuurdeuren.

De grote schuurdeuren bevinden zich in dit geval aan de achterkant van de schuur. Het komt soms voor dat de schuurdeuren aan de voorkant zitten. Het klein-buitenhuis kan dan achter het schuurpad langs doorgetrokken worden en in plaats van vier wel zes stallen hebben aan de achtermuur.

T. “De uitlegers-door” heet deze deur op deze tekening. Het paard kwam met de hooiwagens de schuur binnen. De hooiwagens werden voor het afladen achter elkaar opgesteld. Het paard kon dan door deze deur de schuur weer uitgeleid worden om de volgende wagen te halen. Meestal is de paardenstal naast de grote schuurdeuren aan de buitenmuur met een klein raampje naast de schuurdeuren.

 

vloerplan-karnmolen

Deze tekening is, zoals al gezegd, gemaakt in 1709 als bijlage bij een bestek voor een nieuw te bouwen schuur. De opdracht was het bestaande langhuis te laten staan en daar een nieuwe hooischuur tegenaan te bouwen en de dakvlakken te integreren. Op deze manier ontstond een Friese boerderij zoals we die nu nog overal in het landschap zien.  Uit het bestek is op te maken dat in deze voorkant de karnmolen was gesitueerd.

V,W.  De bedsteden op een zeer onhandige plek. Dit is nog een herinnering aan het langhuis waar ze eerder deel van uitmaakten.

De “huijzinge” is vanouds het onderkomen van mens en vee. Ooit, als voorloper van de “Friese schuur”, bestond het langwerpige langhuis uit een binnenhuis, oftewel het voorhuis waar de boer en zijn gezin woonde, een middelhuis waar de boterbereiding en dergelijke plaatsvond en daarachter het buitenhuis, de veestalling. Op deze tekening is het voorhuis niet getekend (G). Het middelhuis (F) wordt hier de kooken genoemd en het historische buitenhuis heet hier op de tekening ook nog zo. Het bouwschema van het oude langhuis is daarmee nog goed herkenbaar in deze tekening van een Friese schuur. Het is hoogst opmerkelijk dat de hooiberging, die in de tijd van het langhuis nog los van de huijzinge stond, in de tekening ook nog gewoon schuijre heet en de veestalling traditioneel het buitenhuis wordt genoemd, aanduidingen die uit de tijd van het langhuis stammen en die tot op de dag van vandaag nog door de boeren worden gebruikt. Met het buitenhuis wordt zonder uitzondering de veestalling bedoeld en met de schuur de grote open ruimte van de hooiberging met het schuurpad (D).

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

over het woord 'mielgong'

‘Mielgong’, in het Fries uitgesproken als ‘mjilgoong’, moet een samenstelling zijn van ‘miel’ en ‘gong’. ‘Miel’ lijkt op ‘mil’, een oude Friese vorm voor Nederlands ‘middel’. Tegenwoordig wordt ‘mil’, overeenkomstig de uitspraak, als ‘mul’ gespeld en is het nog steeds het gewone woord voor het lichaamsdeel ‘middel’ of ‘taille’. De term ‘milhuis’ als deel van een boerderij hoor je tegenwoordig weinig meer, maar bestaat nog wel: de uitspraak is in modern Fries dan ook ‘mulhûs’ of ‘mulhús’. Tot enige enige jaren geleden stond er in Wommels aan ’t Bosk een kerkelijk verenigingsgebouw met die naam. De naam was gekozen omdat het gebouw tussen het kerkgebouw (de oude Sint Jacobi) en het gebouw voor feesten en partijen ‘it Dielshûs’ in stond. Nog later kreeg het bijgebouw van de voormalige Gereformeerde kerk aan de Hottingawei de naam (‘It Foarhús’), zodat de hele oude Friese boerenhuizinge in de dorpsplattegrond terug te vinden was.

Maar ‘miel’ is een ander woord dan ‘mil/mul’. Het is een woord voor ‘maaltijd’, maar vanouds ook voor ‘keer’ (als in ‘twee maal twee’). Een ‘maal’ eten is oorspronkelijk dan ook een ‘keer’ eten, en een maaltijd wordt in het Fries nog altijd wel aangeduid als ‘in miel iten’. Maar het kan ook op andere dingen worden toegepast, bijvoorbeeld op de hoeveelheid urine die iemand tijdens één sanitaire stop afscheidt. Bij een bezoek aan dokter of ziekenhuis moet je soms een ‘moarnsmiel’ meenemen.

Zo kun je op het boerenbedrijf nog steeds horen, dat een koe zoveel liter ‘it miel’ (‘per maal’) geeft, en als je één koe om wat voor reden dan ook apart melkt, heb je in de emmer ‘in miel’. Daar weer van afgeleid is de betekenis ‘melkbeurt’: op de meeste boerderijen melken ze ‘twa miellen’, maar sommige boeren melken ook tussen de middag, en dan heb je dus ‘trije miellen’. (Of het woord op bedrijven met een melkrobot ook nog functioneert, durf ik niet te te zeggen.)

Ik vermoed, dat we van deze betekenis moeten uitgaan bij het woord ‘mielgong’. Het zou dan in eerste instantie het proces van één keer melken aanduiden, waarbij men de hele rij koeien in het ‘bûthús’ systematisch van beneden naar boven afwerkt. De melkers lopen dan steeds over het pad heen en weer om de emmers te legen en de ‘tjems’ te verzetten. Bovendien moet iedere koe drie keer worden bezocht: één keer om de uier schoon te maken, één keer voor het gewone melken, en één keer voor het ‘neimelken’ (dat is uitgestorven met de komst van het melken in de put met visgraat; daarvóór werd ook bij machinaal melken vaak nog met de hand nagemolken). Van ‘melkproces per keer’ of ‘melktraject’ zou het woord dan zijn overgegaan op de ruimte waarop de bedrijvigheid plaatsvond, misschien bevorderd doordat uitdrukkingen als ‘healwei de mielgong’ of ‘oan it begjin fan ’e mielgong’ door de spreker als een aanduiding van tijd werden bedoeld (‘halverwege het melkproces’ etc.) en door de verstaander werden opgevat als aanduiding van plaats ‘halverwege het melkpad’).

Een andere verklaring zou nog met het voeren van het hooi te maken kunnen hebben. De uitdrukking ‘oer de mielgong fuorje’ (Woorden der Friese Taal) betekent, dat men het hooi niet door de luiken voor de koeien gooide, maar door een deur tussen ‘golle’ en ‘bûthús’ op de vloer wierp, en vandaar voor de koeien. Maar dan zou een portie veevoer als ‘miel’ aangeduid moeten zijn, en daar zijn bij mijn weten geen aanwijzingen voor.

Liuwe H. Westra

Vurenhout in de boerderijbouw

 

Hierboven is een bintwerk afgebeeld zoals het industrieel gemaakt werd in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het heeft de kenmerkende afgeschuinde hoeken aan de stijlen en het draaghout ligt nagenoeg boven de stijl.  De stijl sluit mooi aan op de afgeschuinde liggerbalk en het zware houtwerk is niet vierkant in doorsnede maar iets rechthoekig, 32 bij 28 cm om precies te zijn. De afstand tussen de stijlen in de breedte van het gebouw zijn tot op de centimeter gelijk.  In de lengte richting staan de binten nooit precies op dezelfde afstand van elkaar maar vanaf de negentiende eeuw staan de linker- en de rechterstijlen wel precies even ver van elkaar af. Van deze bintwerken staan er heel wat in het Greide-gebied van Friesland. Over het algemeen zijn ze van grenenhout gemaakt, hoofdzakelijk uit het midden van Zweden en soms zelfs uit Finland.

Het geheim van het hierboven afgebeelde bintwerk kwam pas bij de inmeting en met name bij de houtanalyse van de boorstalen aan het licht.
Het bintwerk is namelijk gemaakt van vurenhout en niet van grenenhout

Voor de bouw van bintwerken werd in de loop van de tijd gebruik gemaakt van verschillende houtsoorten. Tot 1600 werd alles gebouwd in eikenhout, in de periode 1600-1840 werd hoofdzakelijk grenen gebruikt en incidenteel eiken. In de periode 1840-1890 werden grenen en vuren gebruikt en na 1890 vuren en Amerikaans grenen.

Rond 1600 vond dus de overgang plaats naar het bouwen in grenenhout. Op dit moment heb ik diverse bintwerken in onderzoek waarbij de overgangssituatie van eiken naar grenen hierin bestaat dat de stijlen van eikenhout zijn en de liggende delen en schoren van grenenhout.

Er zijn twee varianten van deze overgangssituatie aan te wijzen.

In de eerste variant waren de eiken stijlen én de liggende grenen delen bij de bouw nieuw. Het grenenhout is dus even oud als het eikenhout. Dergelijke bintwerken zijn gebouwd vanaf 1600 in de overgangsperiode van het volledig in eikenhout bouwen naar het volledig in grenenhout bouwen.

In de tweede variant zijn de eikenhouten stijlen hergebruikt en waren de liggende grenen delen op het moment van de bouw nieuw. Het grenenhout geeft daarmee aan wanneer het gebouw gebouwd is en het eikenhout zegt iets over een eerdere bouwfase, als het hout tenminste van de bouwlocatie afkomstig is. Dit soort composities van hergebruikt eiken en nieuw grenenhout komt voor vanaf 1600 tot wel 1800. Op het moment dat de oude eiken hooischuur werd afgebroken werden de stijlen in het nieuwe gebouw hergebruikt.

QUSP, Quercus, Oak, Eik, Eikenhout

Het oude eikenhout van voor 1600 is helemaal donkerbruin van kleur geworden. Dat komt door het looizuur dat er in eikenhout zit. Dit looizuur beschermt het hout tegen schimmels en insecten. De buitenste spintringen zijn lichter van kleur.

Vóór 1600 komt er geen grenenhout voor (hoewel ik misschien toch iets op het spoor ben); na zestienhonderd komt er nog wel nieuw eikenhout voor, maar dan slechts sporadisch. Eikenhout was namelijk erg duur. In een paar Friese Staten heb ik eikenhout van na 1600 gevonden, zoals in het voorhuis van Oenema State te Wytgaard en Donia State te Spannum. Die zijn in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd met gebruikmaking van eikenhout uit Duitsland. De schuur van Oenema State is in 1848 herbouwd met vurenhout(!) en de schuur van Donia State is inmiddels afgebroken.

PISY, Pinus Silvestris, Scotch Pine, Grove Den, Grenenhout

Grenenhout kenmerkt zich o.a. door de harskanaaltjes die duidelijk in het donkere najaarshout te zien zijn.

Grenenhout komt vanaf 1600 eerst uit Noorwegen en later uit het gebied rond de Oostzee. Het wordt gebruikt tot tegen 1900, wanneer door schaarste het Amerikaans grenen zijn intrede doet.
Grenenhout heeft een duidelijke harslucht, vooral bij zagen en boren. Er is ook een duidelijk kleurverschil tussen het spint en kernhout

Van de 800 verzamelde houtstalen (januari 2017) zijn er ruim 100 van eikenhout. Er zijn eveneens een honderdtal stalen van vurenhout, een paar van zilverspar en tegen de 600 van grenenhout.

Ten opzichte van het grenenhout vormt het vurenhout dus ongeveer 14% van de verzameling. Vurenhout komt vaak voor in de jaagbanden en andere kleinere constructiedelen van de boerderijen en het is na 1840 ook geregeld gebruikt bij boerderijen die verlengd werden met een extra bint. Heel bijzonder was het om maar liefst negen boerderijen te ontdekken die helemaal gebouwd zijn van vurenhout. Opvallend is dat er daarvan alleen al vier rond het dorp Spannum staan! Was het misschien dezelfde aannemer die met vurenhout was gaan werken? De oudste in vurenhout gebouwde schuur is van 1848 en de jongste van na 1900.

Hier blijkt dus uit dat door de schaarste aan grenenhout, die in het midden van de negentiende eeuw ontstond, niet alleen grenenhout uit verder gelegen gebieden werd gehaald maar dat er ook naar vurenhout uitgeweken werd. Dit vurenhout was vaak rondhout!

PCAB, Picea Abies, Norway Spruce, Fijnspar, Vurenhout

ABAL, Abies Alba, Silver Fir, Zilverspar, Dennenhout

Vurenhout kent maar weinig harskanalen en zilverspar zelfs helemaal geen. Vurenhout en zilverspar hebben geen herkenbaar kernhout en bij het bewerken ruikt het hout wat muf.

Sterk verwormde vurenhouten  rondhouten stijl van een dorpsboerderij in Makkum

Het heeft geen enkele zin  vurenhout te kantrechten. Het kantrechten van eiken- en grenenhout gebeurde om het spinthout ervan af te kappen zodat het minder gevoelig werd voor houtworm. Vurenhout heeft geen kernhout en daarom werd het meestal niet gekantrecht en is het in de vorm van (vaak sterk door houtworm aangetast) rondhout herkenbaar.

Op de eerste foto van dit artikel is te zien dat het draaghout van het relatief jonge bintwerk met trekijzers aan de liggerbalk is bevestigd om verder afschuiven te voorkomen. De oorzaak is zonder twijfel het zwakkere vurenhout. Bij een grenen bintwerk van deze leeftijd is zo’n maatregel ondenkbaar.

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum