Dendrochronologisch onderzoek, Update 7-8-2017

Update 7 augustus 2017

Een goed gefundeerd onderzoek van gebouwen in hun historische context is niet mogelijk zonder een gedegen dendrochronologisch onderzoek.

Dendrochronologie, ofwel hout-tijd-kunde, neemt de jaarringen van het hout als uitgangspunt. Jaarringen hebben bepaalde patronen, die onder andere ontstaan onder invloed van het weer. In geen enkel jaar is het weer precies gelijk. Er zijn altijd verschillen tussen de hoeveelheid regen, zon en de temperatuur. Dat is terug te vinden in de jaarringen die naar de omstandigheden breder of smaller kunnen worden. Omdat weersystemen grote oppervlakten bestrijken laten bomen die niet al te ver van elkaar afstaan een vergelijkbaar patroon in de jaarringen laten zien. Dit is het basis gegeven voor de dendrochronologie.

Stalen vergelijken tegen een referentie met Cdendro

Kalender  
Je kunt van een boom van bijvoorbeeld 300 jaar oud die dit jaar is gerooid, een “kalender” maken door alle jaarringen in te meten. De laatste jaarring vertegenwoordigt dan het huidige jaar. Een andere, kortere houtstaal met hetzelfde jaarringenpatroon kun je naast die kalender leggen. Als de kalender bijvoorbeeld 100 jaarringen meer heeft dan weet je dat de laatste jaarring van de korte staal 100 jaar geleden gevormd moet zijn.

Dendrochronologie is dus het vergelijken van het jaarringenpatroon van houtstalen tegen andere houtstalen of tegen kalenders waarvan je de jaartallen weet. Om goed te kunnen dateren heb je veel kalenders uit veel verschillende gebieden van verschillende houtsoorten nodig.

Hier is meteen ook mee gezegd wat de grootste moeilijkheid is van de dendrochronologie. Waar haal je al die kalenders met de jaarring gegevens van de verschillende gebieden en verschillende houtsoorten vandaan?

Over de eeuwen is er een globale ontwikkeling te zien waarlangs de eerst nog eenvoudige Friese boerderijen zich hebben ontwikkeld tot de reusachtige gebouwen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Verschillende tussenvormen zijn alleen in een bepaalde korte periode gebouwd en andere bouwvormen heel lang en soms gelijktijdig met andere vormen. Het is daarom, ook na bestudering van veel boerderijen, in een aantal gevallen niet mogelijk om op het oog nauwkeurig te kunnen zeggen hoe oud het houtwerk is. Bovendien als er binten bijgeplaatst zijn om de boerderij te vergroten dan is het interessant om de verschillende bouwfasen goed te kunnen dateren. Wanneer is de boerderij gebouwd en wanneer is deze ingrijpend van vorm veranderd? Zonder dendrochronologische dateringen is dit niet met zekerheid te zeggen.

Duizenden bomen
Nagenoeg al het grenenhout dat in Friesland, maar ook in Noord-Holland en Groningen voor de bouw van boerderijen is gebruikt, is afkomstig uit Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten, Polen en Duitsland. Vooral Friese schippers waren betrokken bij het vervoer. Ze brachten het hout ook naar Engeland en Frankrijk en een hele grote afnemer was de V.O.C. voor de scheepsbouw. Er waren duizenden bomen nodig voor de bouw van één schip. Dat zegt wat over de omvang van de transporten.
Het mooie is dat voor de boerderijenbouw het meeste zware hout alleen maar werd gekantrecht. Er werd dan met een bijl en een baardaaks aan vier kanten van de boomstam het schaaldeel afgehakt. Op de hoeken van het hout is soms de buitenkant van de boom nog net te zien, de “wan” genaamd. Voor de huizen- en scheepsbouw werden de bomen verzaagd tot handzamer timmerhout. Dat betekent dat het hout, dat hier in het noorden in de boerderijen kan worden gevonden, bij uitstek geschikt is voor dendrochronologisch onderzoek. Het zijn nagenoeg nog de volledige, alleen maar gekantrechte, stammen. De kennis die daar uit voortkomt, is niet alleen relevant voor Friesland zelf, maar is ook heel belangrijk voor onderzoekers in de steden zoals Amsterdam en de rest van het noorden van Nederland en voor onderzoekers die zich met de vroegere houten scheepsbouw bezighouden zoals van de V.O.C.

Om zinnig vergelijkend onderzoek te doen, moet je veel gebouwen onderzoeken
In het begin van mijn onderzoek zijn er, met ondersteuning van de Boerderijen Sichting Fryslân en onder leiding van Odwin Ralling, 60 stalen van 15 boerderijen geboord en naar het laboratorium van de dendrochronoloog Pressler in Duitsland gestuurd. Pressler kon niet heel veel van de stalen zelf dateren en stuurde de inmeetgegevens door naar het Deutches Archäologisches Institut. Ook toen werden er in totaal minder dan 25 stalen gedateerd en daarvan 10 met een grote mate van onzekerheid. Dit was een kostbare aangelegenheid met een mager resultaat. De oorzaak is, dat tot dusverre de laboratoria vooral eikenhout hebben gedateerd.  Grenenhout heeft zijn eigen herkomstgebieden en kan niet met kalenders voor eikenhout worden gedateerd.

Inmiddels heb ik (augustus 2017) van 147 gebouwen boorstalen afgenomen. Ruim 1100 stalen  in totaal waarvan de meerderheid, 600,  van grenenhout, 200 van vurenhout en 300 van eikenhout.

Samenwerking
Dendrochronologie wordt hoofdzakelijk gedaan door universiteiten zoals die van Utrecht of  van Lund in Zweden, en door zelfstandig werkende dendrochronologische bureaus. Hoe meer een dendrochronoloog kan dateren, hoe meer klanten gebruik zullen maken van zijn diensten. Het is dus heel goed te begrijpen dat men binnen de dendrochronologische wereld zijn kalenders niet zomaar publiceert. Dat maakt samenwerking binnen de dendrochronologie niet gemakkelijk. Mijn ervaring is dat men graag voor anderen dateert, maar beslist het referentiemateriaal, de kalenders en de inmeetgegevens niet uit handen geeft. Die vormen immers in zekere zin het bedrijfskapitaal.  Daardoor is er echter geen controleerbaar bewijs hoe de datering tot stand is gekomen. Er is geen enkele mogelijkheid om de datering door een ander te laten verifiëren. De stalen worden meestal niet geretourneerd en zijn daarmee verloren voor nader onderzoek in de toekomst. Deze manier van werkenstrookt niet met het wetenscghappelijke ideaal van controleerbaarheid en doet het vak ook geen goed.
Wat anderen hier over schrijven

Data-analyse
Gezien de veelheid aan boerderijen en stadspanden die hier in Friesland staan en het enorm grote herkomstgebied van het hout vormt Friesland een grote bron van stalenmateriaal voor dendrochronologisch onderzoek. Het herkomstgebied is, voor één derde van het eikenhout van voor 1650, Zuid-Duitsland. Verder komt het hout (eiken, grenen, vuren en dennen), zoals al eerder gezegd, uit de landen rond de Oostzee; Noorwegen, Zweden, Finland, Rusland, de Baltische Staten, Polen en een stukje Oost-Duitsland. Het lijkt er sterk op dat via de invoerhavens zoals Harlingen en Hindeloopen voornamelijk op bepaalde havens rond de Oostzee werd gevaren waar men handelsovereenkomsten mee had of waar men zelfs eigen handelskantoren had. Het is bekend dat 80% van de schippers die Narva verlieten met hout afkomstig waren uit Hindeloopen. Over de eeuwen verschuiven die “favoriete” herkomsthavens van het hout.  De kalenders die uit het Friese hout kunnen worden samengesteld zijn daardoor beter geschikt om Fries hout mee te dateren dan de meer algemene kalenders. Het meeste hout is inmiddels al goed te dateren. Moeilijk blijft het grenen en vurenhout dat uit het enorme achterland van Rusland via havens als Narva naar Nederland kwam. Dit is in de dendrochronologie nog een onontgonnen gebied. Juist omdat er van dit hout nog zoveel te vinden is in Friesland biedt dat een grote kans om ook hier goede kalenders voor te maken.

Cultuurhistorische schatkamer
De medewerking aan het onderzoek vanuit de eigenaren van de onderzochte boerderijen (en inmiddels ook stadspanden) is enorm en hartverwarmend. Het gaat om belangrijk Fries cultureel-historisch erfgoed en de eigenaren voelen zich daar vrijwel zonder uitzondering erg bij betrokken. Zij leven immers in die monumentale “kathedralen in het landschap”. Door die geweldige medewerking en interesse van de eigenaren kan ik veel gebouwen onderzoeken en een groot bestand aan stalenmateriaal, foto’s en meetgegevens opbouwen. Belangrijk is echter dat het stalenmateriaal in Friesland blijft en toegankelijk voor onderzoek is. Toekomstige onderzoekers kunnen mogelijk dingen aflezen van de stalen, die met de huidige stand van zaken nog niet mogelijk zijn.

Ik heb het voornemen een Stichting “Fries Historisch Bouw Hout”op te richten. De stichting zal zich gaan inzetten voor het verzamelen van houtstalen om zo een ruime database van in Friesland gebruikt bouwhout op te zetten met als één van de doelen om bouwhistorisch onderzoek te ondersteunen. Hierover later meer.

Paul Borghaerts, Easterein, 7 augustus 2017(c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

 

Hergebruik van constructiehout in de boerderijbouw

Hergebruik van bouwmaterialen is over de eeuwen een goed gebruik geweest. In tegenstelling tot vandaag de dag waren vroeger de kosten voor de bouwmaterialen hoog en de arbeidskosten laag. Het was dus haalbaar en goedkoop om nog goede bouwmaterialen in de nieuwbouw te hergebruiken. Het hout was vroeger van een veel betere kwaliteit. Het kon probleemloos eeuwen mee, voor zover althans dat het dak goed dicht werd gehouden.

De oudst bekende, in primair gebruikt eikenhout gebouwde, Friese boerderij van de familie Van der Hoff uit Roodhuis is van 1596 en de ruim 420 jaar oude eikenconstructie is, op nkele plekken na waar vroeger lekkages zijn geweest, nog steeds in een uitstekende conditie. Dat is ook zo voor de eikendelen van de boerderij van de familie De Vries in Drogeham. In deze boerderij zijn ruim 500 jaar oude eiken constructiedelen te vinden uit 1510! Bij deze boerderij is gedeeltelijk wel sprake van meer aantasting van het hout, maar dat komt doordat een gedeelte van het hergebruikte eikenhout vroeger onderdeel is geweest van een open hooiberg. Hooiberg onderdelen die onbeschut in weer en wind hebben gestaan, en later zijn hergebruikt, laten aan de buitenkant altijd een sterke mate van aantasting zien. De kern van het hout is dan vaak nog in een prima conditie. Ook het vroegere grenenhout kon de tand des tijds prima doorstaan. Omdat grenen een dikkere laag spinthout heeft dan eiken is de buitenkant van het echt oude grenenhout wel meer aangetast dan eikenhout uit dezelfde periode. Ten noord oosten van Grou (Leechlân 3) staat een boerderij, van de familie De Vries, waarvan de grenen stijlen allemaal van rond 1625 zijn; inmiddels bijna vier eeuwen oud. 
Boerderijen met vergelijkbaar oud grenenhout zijn hier en daar nog te vinden. In de steden staan huizen met eiken constructie's die nog veel ouder zijn dan de oudste boerderijen. Boerderijschuren staan veel open en er staat vee in dat veel vocht afgeeft. Huizen worden over het algemeen beter dicht gehouden en verwarmd. Perfecte eikenconstructies uit de 15e of 14e eeuw zijn dan niets bijzonders. Onlangs heb ik eikenhout uit een, helaas afgebroken, pand uit Franeker gedateerd op 1433! Kortom, goed hout gaat eeuwen en eeuwen mee als het dak maar dicht wordt gehouden.

 

Ruwweg kunnen de volgende vormen van hergebruik van constructiehout worden onderscheiden:

  • een boerderij werd in zijn geheel verplaatst;
  • onderdelen van de oude boerderij (of van elders) werden hergebruikt bij de bouw van een nieuwe boerderij;
  • de bestaande schuur werd verlengd;
  • de stijlen van een hooischuur of hooiberg werden hergebruikt en met nieuw hout voor de draaghouten en liggerbalken aangevuld;
  • een nieuwe boerderij werd opgetrokken van alle mogelijke stukken hergebruikt hout.

Het verplaatsen van de boerderij
Er zijn meerdere spraakmakende verhalen van boerderijen bekend waarbij een boerderij óf op het eigen perceel werd verplaatst óf naar een dorp verderop werd verplaatst. Een verplaatsing op de eigen grond kon bijvoorbeeld nodig zijn als er een nieuwe weg werd aangelegd en de boerderij door de verplaatsing een betere ontsluiting kreeg. Bij de nieuwbouw van een (grotere) boerderij werd het bintwerk van de oude schuur soms in zijn geheel verkocht en verplaatst. Die verplaatsingen, waar hele dorpsgemeenschappen bij betrokken waren, waren zo indrukwekkend dat er lang over gesproken werd. Zozeer zelfs dat het achteraf lijkt of die verplaatsingen schering en inslag waren. Dat is echter niet het geval, het zal in feite zelfs zelden zijn gebeurd.

Wat er mogelijk verward wordt is dat er, bijvoorbeeld bij de aanleg van een nieuwe weg, een nieuwe boerderij nabij die weg werd gebouwd en dat de oude boerderij werd afgebroken. Het bouwhout en de stenen van de oude boerderij werden daarbij dan al of niet hergebruikt. Daar zijn veel voorbeelden van. In de volksmond heet het dan dat de boerderij is verplaatst maar in werkelijkheid is alleen de woonplek verplaatst maar niet het gebouw zelf.

Zo zijn er wel drie verhalen van verschillende boerderijen in Oosterend die in hun geheel zouden zijn verplaatst. De gebouwen waren al heel oud,dacht men. Vroeger hadden de boerderijen een flink stuk verderop gestaan. Uit de datering van het hout blijkt echter dat het in alle drie de gevallen een jonge boerderij betreft en uit archief onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld de "oude" boerderij op Eeskwert nog minstens 30 jaar is blijven staan tot deze in 1912 werd geruimd.

 

Hergebruik van hout in een nieuwe boerderij
Over de eeuwen zijn de boerderijen alsmaar groter geworden. Voor de grotere delen van de constructie zoals voor de stijlen en de liggers van de nieuwe boerderij konden de oude en kortere stijlen en liggerbalken niet hergebruikt worden.  Meestal zie je hergebruikt bouwhout dan ook alleen maar in de kleinere delen van de nieuwe constructie, vooral als jaagband en korbeel.

Hergebruikt hout in de kleinere constructiedelen van een nieuwe boerderij.

Er zijn talloze voorbeelden van hergebruikt hout. Heel vaak zijn de jaagbanden of korbelen gemaakt van oude eiken hooibergroeden of hooischuur onderdelen, te herkennen aan de kapgaten in het hout. De oude vloerbalken van een afgebroken voorhuis zijn ook heel geschikt om als jaagband te dienen. Het valt nooit te bewijzen dat het hergebruikte hout van de voorganger van de nieuwe boerderij afkomstig is maar heel waarschijnlijk is het wel. Op het moment dat er een nieuwe boerderij wordt gebouwd, wordt immers de oude ook afgebroken. Bintwerken gaan erg lang mee. Drie of vier eeuwen is niets bijzonders. De kans is daarmee niet groot, wanneer er een nieuwe Friese boerderij werd gebouwd, dat de voorganger ook al een Friese boerderij was. Het is veel waarschijnlijker dat de voorganger nog een langhuis was. Als het hergebruikte hout duidelijk van een hooiberg of hooischuur afkomstig is, kan dat een extra aanwijzing zijn dat er voor het nieuwe gebouw een langhuis met hooiberg of hooischuur stond. Hergebruikt eikenhout is nagenoeg altijd van vóór 1600.

Als een gebinte van een boerderij drie eeuwen meegaat en de Friese boerderij eigenlijk pas vanaf 1600 overal in het landschap verscheen, dan gaan die bintwerken tot ver na 1900 mee. Je kunt dus vrij algemeen stellen dat alle tussen 1600 en 1900 nieuwgebouwde Friese boerderijen als voorganger een langhuis hadden. Als vrijwel altijd de voorganger van een nieuw gebouwde Friese boerderij een langhuis was dan is ook nog te achterhalen waar allemaal nog langhuizen stonden op een bepaald moment. Stel dat we uitzoeken welke Friese boerderijen jonger dan 1800 zijn, dan weten we meteen dat die boerderijen dus nog langhuizen waren in 1800.

 

Het verlengen van een bintwerk

In lijn van het voorgaande ligt het voor de hand dat de bintwerken, die eeuwen meekonden, wél aangepast moesten worden aan de ontwikkelingen. Door grondverbetering en landaankopen was er meer bergruimte nodig. De meest voor de hand liggende vorm van hergebruik van een bintwerk is door deze simpelweg naar voren of naar achteren te verlengen met een extra bint. Dit kwam ontzettend veel voor. Soms, als het voorhuis ook werd vernieuwd, werd er aan de voorkant een bint bijgeplaatst en schoof het voorhuis 6 tot 7 meter op naar voren (zoals bijvoorbeeld is te zien in de boerderij van de familie Reitsma in Easterwierrum), maar meestal vond de uitbreiding aan de achterkant plaats. Op een relatief goedkope manier kon de boerderij dan flink vergroot worden. Opvallend is dat deze boerderijen goed herkenbaar zijn in het landschap. Ze hebben door het oude bint een wat lage nokhoogte en zijn in verhouding te lang; Het type van de “lage lange rug”. Dit soort verlengingen begon al ruim voor 1800 en  werd heel veel toegepast. Het interessante hieraan is dat er altijd een oud bintwerk is te vinden in de boerderijen van het type van de “lage lange rug”. Voor het onderzoek naar de boerderijbouw bestaat dit type uit de oude vorm die het had vóór de verlenging en de vorm van ná de verlenging.

De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Met dank aan Lolle Baarda uit Burgwerd die mij attent maakte op de bovenstaande foto (privébezit fam. Galema)
In Burgwerd staat de boerderij van de familie Galema, gebouwd in 1863 en verlengd in 1925. De boerderij is gebouwd in noordzweeds grenen rondhout. Wonderlijk genoeg komt het hout van de bouw in 1863 uit precies hetzelfde gebied als het hout van de verlenging van 1925. Toeval of is de verlenging uitgevoerd door hetzelfde aannemersbedrijf met contacten in Zweden? Dat weten we allemaal nog niet. Waren er houtinkopers die met vaste handelskantoren in het buitenland werkten of bestelden de aannemers hun hout al zelf? Dat laatste lijkt niet heel waarschijnlijk. Verder onderzoek zal hier hopelijk ook wat duidelijkheid in kunnen verschaffen.

 

Het hele bintwerk optillen

Er kan ook ruimte worden gewonnen door de hele schuur als het ware op te tillen en te verhogen.

De schuur kan verlengd worden met een extra bint, maar een nadeel daarvan is dat het veeverblijf en het schuurpad wel langer worden maar niet breder. De nokhoogte en de breedte van de schuur verandert immers niet. Een andere manier om ruimte te winnen is door de schuur in zijn geheel op te tillen en de klippen flink te verhogen.

Eigenaar Pieter-Karst Bouma bij een flink verhoogde klip

De nok wordt dan evenveel hoger en bij een gelijk blijvende dakhelling kunnen de buitenmuren evenveel worden verhoogd of een stuk naar buiten worden geplaatst, óf allebei.

Een goed voorbeeld hiervan is de boerderij van de familie Bouma in Winsum. De originele constructie van de schuur is van 1691. De klippen zijn hier wel anderhalve meter verhoogd. Mogelijk is dat rond 1880 gedaan. Daarmee is het volume van schuur onder het vierkant ruim 20% groter geworden.

 

 

De oude hooischuur van het langhuis wordt in de nieuwe Friese boerderij opgenomen

Eiken vierkant van een hooischuur opgenomen in een Friese schuur

Een heel bijzonder vorm van hergebruik is het als een enkel of dubbel vierkant van een ooit losstaande hooischuur van een langhuis is opgenomen in de Friese schuur die als vervanger voor het langhuis werd gebouwd. De korte stijlen van de voormalige hooischuur staan dan op relatief hoge klippen (poeren). Die hoogte kan wel anderhalve meter zijn. In een geval als dit zijn zowel de stijlen als de liggerbalken van de oude hooischuur hergebruikt.

Een schitterend voorbeeld hiervan is de boerderij van de familie Brandse op de útbuorren Flansum bij Irnsum. Het eikenhout van de hergebruikte hooischuur is 16e eeuws en het voorste en achterste bint en de draaghouten en jaagbanden zijn van 1835. Op de foto zien we de middelste eiken stijlen van de voormalige hooischuur zoals deze is opgenomen in de rond 1835 nieuw gebouwde Friese schuur.

 

Een allegaartje van hergebruikt bouwhout
Soms is er in een boerderij hier en daar wat hergebruikt hout te vinden, maar er zijn er ook die totaal van hergebruikt materiaal zijn gebouwd. Alleen de lange draaghouten zijn dan van de bouwdatum. Er is zelfs een boerderij waarvan de stijlen bestaan uit aan elkaar “gelaste” stukken hout die met zware stukken ijzer aan elkaar zijn verbonden.

Een samenstelling van allerlei hergebruikt hout.

Soms gaat het om een compositie van allerlei houtsoorten  van verschillende herkomst; van scheepsmasten tot balken uit afgebroken staten en van hooibergroeden tot hooischuurstijlen, met overal de zichtbare sporen van dat eerdere gebruik. Een rommeltje met elkaar. Een gedeelte in slechte staat en andere delen nog gaaf. Het zijn er niet veel maar ze zijn nog te vinden en ze doorstaan ook nog de tijd.

Het voorhuis en de schuur van een boerderij kunnen gelijk zijn gebouwd maar heel vaak is dat niet het geval. Als de schuur niet meer voldeed werd er een nieuwe gebouwd en dan werd het voorhuis vaak behouden, of andersom. Als het voorhuis niet meer voldeed werd dit aangepast of nieuw gebouwd maar bleef de schuur ongewijzigd. Er zijn legio voorbeelden waarbij de schuur en het voorhuis verschillend dateren. Voorhuis en schuur hebben ook een totaal andere functie. Als een schuur flink werd uitgebreid waren er wel grotere werkvertrekken nodig om de melk te kunnen koelen en karnen. Het karnvertrek valt nagenoeg altijd onder het dak van de schuur. De molkenkelder waar de melk werd gekoeld viel ook onder het dak van de schuur op de hoek, tenminste als de schuurdeuren aan de achterkant zitten, óf in het voorhuis. Het opschalen van de molkenkelder kan een reden zijn geweest om ook het voorhuis te vergroten.  De voorhuizen bij de langhuizen waren 2,5 tot 3,5 vak lang. (gebaseerd op archiefdata). Dat wil zeggen dat de meesten ruwweg tussen de 6 en 8 meter lang waren inclusief de voor- en achtermuur dikte. Breed zijn ze tussen 5,5 en 6,5 meter. Die maatvoering werd bepaald door de binten die oorspronkelijk van het voorhuis tot helemaal achter in het buitenhuis doorliepen.

Het is opmerkelijk hoeveel boerderijen vandaag de dag nog een relatief klein voorhuis hebben. Het lijkt erop dat de voorhuizen qua fundering of maatvoering nog uit de tijd van het langhuis stammen. Interessant om eens nader te onderzoeken. Er zijn vaak nog heel oude muurstukken terug te vinden in de voorhuizen. Bij de eerder genoemde boerderij van Brandse op Flansum vonden we, op aangeven van de eigenaar, een eiken staander van een voorhuisbint terug in de muur. Ongetwijfeld stamt die muur nog van het langhuis. De bintstijl is van de eerste helft van de 16e eeuw!

 

Easterein 1 augustus 2017.  Tekst, foto’s en dendrochronologische ouderdomsbepalingen: Paul Borghaerts (c).

Redactioneel meelezer: Liuwe Westra, Lollum.

Doorsnede tekeningen: Meinte Hendriks van Wietse B. Ligthart Bouw-Tekenburo

De state Klein Oenema

Klein Oenema state, nu behorende den heer Jacob Fenema en bevorens den president der hoogen krijgraets deezer landen Koenraet van Unkel, te Wirdum 1724 J. Stellingwerff.

Op de tekening van Jacob Stellingwerff uit 1724 is Klein Oenema zichtbaar als een hoofdgebouw met de ingang en gang in het midden van het hoofdgebouw en met kamers links en rechts van deze gang. Daarboven zijn nog een verdieping en een zolder zichtbaar. De bijgebouwen zijn naar links uitgebouwd. Er valt niet te zien of er aan de achterkant ook een boerenschuur met het hoofdgebouw verbonden was.

Klein -Oenema 2017. Foto Paul Borghaerts

Behalve dat de toegangsdeur nog in het midden van het hoofdgebouw zit is er nu, 300 jaar later, bijna niets meer in de huidige vorm van Klein Oenema  te herkennen dat nog aan de tekening van Stellingwerff doet denken.  De uitbouw staat nu niet meer naar links maar naar rechts. Het huis is volledig opgenomen onder het dak van de schuur, de tussenverdieping is verdwenen en verder is er een molkenkelder onder de linker kamer geplaatst. Het gebouw heeft nu dus links een molkenkelder met daarboven een opkamer en rechts een zijkamer. Er is dus nogal wat veranderd, dat wil zeggen, als we ervan uitgaan Dat de tekening van Stellingwerff correct is en dat de naam Klein Oenema bij het juiste pand is overgeleverd.

Het voorhuis is in 1848 als een stelp onder één dak gebracht met de schuur. Op de website over stinsen in friesland staat de volgende tekst vermeld:

Op 15 november 1844 brak er brand uit op Oenemastate. Jarenlang heeft het terrein een troosteloze aanblik gegeven omdat de verzekeringmaatschappijen in een juridisch gevecht waren verwikkeld. Pas in 1848 is de statige huizinge gesloopt. Op dezelfde plaats verrees een nieuwe stelpboerderij.

 

Dit artikel gaat over de vraag of het gebouw, zoals het er vandaag de dag nog staat, bouwkundig een relatie heeft met het gebouw zoals het op de tekening van Stellingwerff is afgebeeld. Nieuw in relatie tot eerdere publicaties over Klein Oenema is dat nu de verschillende bouwdelen dendrochronologisch zijn onderzocht. Dat werpt een geheel nieuw licht op de situatie.

Het huidige Klein Oenema is een stelpboerderij. Het dak van de schuur is over de statige woning heen gebouwd.  De draagstijlen van het dak van de schuur zijn van vurenhout. De voorste twee stijlen staan op de balkenlaag van het voorhuis. Onderaan zijn de stijlen nog gekantrecht maar het dunnere bovenste deel is rondhout. Vurenhout werd in de tweede helft van de negentiende eeuw veelvuldig gebruikt in de boerderijbouw in Friesland. Dit is wel een van de eerste boerderijen geweest waarin vurenhout werd toegepast. De stijlen zijn bovenin wat mager. De liggerbalken zijn van Baltisch grenen gemaakt, zwaar uitgevoerd en gekantrecht.

Inmeet detail van een boorstaal uit de achterste grenenhouten liggerbalk van de schuur van Klein Oenema. Gekapt voorjaar/zomer 1846. Datering Paul Borghaerts aan de hand van de collectie Baltisch grenen verzameld in Friesland.

Blijkbaar vertrouwden ze het vurenhout niet voldoende om ook de ligger-balken in vurenhout uit te voeren. In latere gebouwen komt het voor dat de hele constructie, inclusief de liggerbalken, in vuren is uitgevoerd. De schuur van Klein Oenema laat dus een overgangssituatie van grenen- naar vurenhout zien. Vurenhout is over het algemeen moeilijk dateerbaar, maar het grenenhout van de ligger-balken dateert op 1846. De boerderij kan dus heel goed in 1848 gebouwd zijn. zoals vermeld in de bronnen.

Rondhouten vuren stijl met een gekantrechte grenen liggerbalk.

De brand in 1844 en de herbouw.

Volgens de bronnen zou de statige huizing in 1848 zijn gesloopt, waarna op dezelfde plek een nieuwe stelpboerderij verrees. Dat zou betekenen dat de hele boerderij, huis en schuur, nieuw gebouwd moeten zijn in 1848. Dat lijkt echter merkwaardig. Het huidige voorhuis, onder het stelpdak, is statig van uitstraling met hoge kamers en is gebouwd op een manier die je in stelpen uit de negentiende eeuw niet tegenkomt. Het lijkt eerder op een vroegere adellijke huizinge dan op een rond 1848 gebouwde stelp. De volgende foto maakt de puzzel nog lastiger.

Achteraanzicht van de woning gezien vanuit de schuur.

Op de achtermuur van de woning is duidelijk de aftekening van een vroegere aanbouw te zien.

De muur rond de aftekening is verweerd en dat moet van vóór de herbouw zijn. Het huidige dak loopt immers over de woning heen. De constructie van het dak bestaat uit bouwmateriaal uit één bouwfase. De mogelijkheid is dus uitgesloten dat het dak na 1848 nog een keer is aangepast en dat deze muur eerst nog gedeeltelijk een buitenmuur was. Klein Oenema was voor de brand al een boerderij, dus hier is de aanzet te zien van die eerdere boerderij. In de muur is ook nog de vroegere doorgang naar de molkenkelder te herkennen. Op de rechter hoek van de achtermuur is rechts naast de stijl zeventiende eeuws metselwerk te zien.

Het klopt dus niet dat de statige huizinge helemaal is gesloopt in 1848.

 

 

 

In december 1981 heeft de heer H. Nota De geschiedenis van Klein en Groot Oenema op schrift gesteld in het dorpsblad van Wytgaard. Het was een lastige opgave om de nogal door elkaar lopende geschiedenissen van Groot- en Klein-Oenema helder uiteen te zetten. D. van de Meer was hierbij behulpzaam. Niet alleen was er de grote brand van 1844, maar Oud-Oenema was volgens het artikel ook al een keer in 1756 grotendeels afgebroken en herbouwd.

Voor de brand van 1844 was het gebouw gelijktijdig bij twee verzekeraars verzekerd geweest, zo schrijft H. Nota. Dat leverde een lange juridische strijd op. In het in het artikel aangehaalde verhaal van een van de verzekeraars staat op bladzijde 15 duidelijk dat de boerenhuizinge volledig verbrand was maar dat het herenhuis voor de brand bewaard was gebleven. De andere verzekeraar schrijft over de “Heerenhuizinge benevens de boerenhuizinge”, dat er brand is geweest en dat de boerenhuizinge volledig is uitgebrand. In beide gevallen komt het erop neer dat het herenhuis gespaard is gebleven. Het was heel gewoon dat er achter en aanpalend aan een state een boerenhuizinge was. De adel woonde in het voorhuis, het herenhuis, en de boer met de zijnen in het middel- en achterhuis. Vermoedelijk heeft Nota het onderscheid tussen herenhuizinge en boerenhuizinge niet gekend en zodoende ten onrechte foutief geconcludeerd dat het geheel was afgebrand. Maar ook in Het Aanwijzingsdocument Gemeentelijk Monument wordt vermeld dat delen van de binnenbetimmering van voor de brand moeten dateren.

We weten nu dus zowel uit de beschrijvingen van de verzekeraars, opgenomen in het werk van Nota, als door de bouwsporen op het achtermuur van het voorhuis van het huidige Klein Oenema en uit het “Aanwijzingsdocument Gemeentelijk Monument” dat het voorhuis, het herenhuis, bij de brand gespaard is gebleven en dat het er voor 1844 al stond.  Het is mogelijk dat het voorhuis in 1848 wél enigszins verbouwd is, maar zelfs dat acht ik niet heel waarschijnlijk. Als de schouw in de opkamer uit een eerdere periode dan 1844 stamt dan was ook de molkenkelder onder de opkamer er al en is er aan het voorhuis in 1848 geen structurele verbouwing geweest.  Mogelijk is er toen aan de zijkamer en aan de gang wat veranderd. De zolderkamers en het dak van het voorhuis werden in ieder geval wél afgebroken waarna de nieuwe schuur over het voorhuis heen kon worden gebouwd.

In het voorhuis zit onder de opkamer een molkenkelder met een opmerkelijk zwaar eiken balkenplafond. Dat zijn dus ook de draagbalken van de opkamer vloer. De balken liggen in de dwarsrichting van het gebouw, dus van voor naar achter. De overspanning is groot, wel zes en een halve meter. De balken zijn rechthoekig. De dikste meet maar liefst 29 bij 30 cm. Er zijn op de zijvlakken van de balken sporen van spijkers en andere bouwsporen te zien die geen relatie met de huidige functie hebben en die erop wijzen dat de balken verlegd zijn of dat de vorm van de ruimte iets anders is geweest. De sporen van de eerdere spijkers en het ontbreken van kapgaten wijst erop dat de balken wel altijd als vloerbalk hebben gediend.

Zware eiken balken tussen molkenkelder en opkamer.

Tussen de balken zit nog een dikke isolatielaag. Zonder die zou helemaal goed te zien zijn hoe zwaar de eikenbalken zijn. Meestal zit het hart van de boom ergens middenin de balk. De boom is dan net dik genoeg om er één balk uit te halen. In dit geval zit bij alle balken het hart op de hoek. De eikenbomen waar de balken uitkwamen waren gigantisch. Er werden vier van deze zware balken uit één boom gezaagd! Uit het dendrochronologisch onderzoek is inderdaad gebleken dat een aantal balken uit dezelfde boom afkomstig is. De bomen moeten ruim een meter dik zijn geweest.

Vier boorstalen van deze eikenbalken hebben tot een datering geleid.  Op de eerste balk vanaf de ingang van de molkenkelder na heeft geen van de balken een wan, dat is de buitenste ring van de boom. De jongste jaarring van staal FR11005, die uit deze eerste balk is genomen, is van 1625.  Het buitenste spinthout met wan zit nog wel aan de balk zelf maar is helemaal verwormd en verpoederd. Dit staal mist dus alleen het spinthout. Het valt aan te nemen dat dit staal een twintigtal spintringen mist (+/-5) en dat de eikenboom in 1645 +/- 5 jaar gekapt is, dus tussen 1640 en 1650. De boom was toen rond de 220 jaar oud en is net als alle andere eiken balken van de molkenkamer afkomstig uit Duitsland.

Eikenstaal Fr11005 afgenomen uit de eerste balk vanaf de ingang van de molkenkelder van Klein- Oenema. Datering Paul Borghaerts. Cdendro 9.0.

 

De zolder van het voorhuis is niet ingetimmerd. Op deze zolder sta je direct onder het dak van de schuur die over het voorhuis reikt. Aan de voorkant van de zolder, nagenoeg in het midden bevindt zich een klein werkluik. In overleg met de eigenaar Jaap de Boer is dat luik geopend en later zijn er een paar zolderplaten verwijderd om dendrochronologisch onderzoek naar de balkenlaag te kunnen doen.

 

Het luik geeft toegang tot een ondiepe kruipruimte tussen het plafond van de kamers en de zoldervloer. Precies onder het luik zit de middenmuur die de scheiding vormt tussen de twee kamers van het voorhuis.

Naar links, boven de zijkamer, is onder deze vloer een balkenlaag te zien met een bruine kleur die over de oorspronkelijke blauwe kleur is geschilderd en naar rechts, boven de opkamer, is er een rood geverfde balkenlaag met gouden biezen te zien. De balkenlagen van beide kamers zijn van onderaf weggetimmerd en niet meer zichtbaar. De balken liggen net als in de molkenkelder van voor naar achter over het voorhuis en zijn ruim 6,5 m lang. De zijkamer is 6,60 m breed en 6,44 m diep en de opkamer 5,50m breed en 6,44 m diep. Tussen de kamers liep oorspronkelijk een gang, maar deze is tegenwoordig bij de zijkamer getrokken. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom de zijkamer in de huidige situatie  1,10 m breder is dan de opkamer. De voordeur in het midden van de voorgevel komt nu rechtstreeks in deze zijkamer uit.

De beschildering van de balken houdt precies bij de muren op. Er is niets aan de balken te zien dat aanleiding geeft te denken dat de balken hergebruikt zijn. Er zijn geen brandsporen maar dat viel ook niet te verwachten. De balken boven de opkamer laten maar één kleurlaag zien; een prachtig diep rood met een smalle bladgouden bies op de zijvlakken die op ca. 5 cm van de bovenkant en onderkant over de hele balk is getrokken. Op de bovenkant van de balken is aan de spijkergaten te zien dat de loopvloer vroeger rechtstreeks op de balken was bevestigd.

Van de blauwe balken boven de zijkamer zijn twee boorstalen afgenomen, van de balk die midden tussen de twee kamers op de muur ligt één, en van de rodebalken boven de opkamer ook twee boorstalen.

Staal FR11020 heeft een wan en dateert op 1644. De eindjaren van de stalen liggen opmerkelijk dicht bij elkaar. De balkenlaag is vrijwel zeker van 1645 in aanmerking genomen dat er meestal niet meer dan een jaar zit tussen het jaar van het kappen van bomen en de verwerking van het hout op de bouwplaats. De blauwe balken van de zijkamer en de rodebalken van de opkamer én de balk die op de middenmuur ligt zijn uit dezelfde bouwfase van grenenhout afkomstig uit Noorwegen. De niet in het zicht liggende middenbalk is niet geschilderd. Een en ander maakt het hoogst onwaarschijnlijk dat deze balken uit een ander pand afkomstig zouden zijn.

Op de zolder is nog een belangrijk bouwelement te vinden en wel het stukje muur aan de noord-oost zijde dat is blijven staan.

Onderzoek aan dit stuk muur brengt aan het licht dat het een topgevel moet zijn geweest. Links en rechts van het raam dat er nu zit, is in het metselwerk de aftekening te zien van twee kleinere symmetrisch in het vlak geplaatste raamsparingen van 58 cm breed, met de onderkant op 50 cm van de zoldervloer. (70cm  van de zolderbalken). De raamsparingen zitten beide op ongeveer 180 cm van respectievelijke voor- en achtergevel. De muur is rechts aangeheeld voor de huidige situatie, maar de vroegere schuine lijn van het dak is nog goed te zien. Op de plaats waar nu het grote raam zit moet het schoorsteenkanaal hebben gelopen.

De ontdekking van dit stuk muur met oude raamsparingen is van het grootste belang om de veranderingen die er in de loop van de tijd aan het pand hebben plaatsgevonden vast te kunnen stellen. Het bevestigt in de eerste plaats dat het gebouw vroeger een topgevel aan de oostzijde bezat. In de tweede plaatst maakt de intacte borstwering onder de vroegere ramen duidelijk dat de zolderbalkenlaag niet omhoog of omlaag verlegd is.

Als deze zolderbalkenlaag en de topgevel bouwelementen zijn die er inderdaad ten tijde van de tekening van Stellingwerff blijkbaar al waren dan ontbreekt er in het huidige gebouw één verdieping. Op de tekening zijn immers duidelijk twee verdiepingen te zien.

De zijkamer is onder de weggetimmerde balken 3,93 m hoog. Dat is onvoldoende voor twee verdiepingen. De gezamelijke hoogte van de opkamer en molkenkelder (die overigens onmogelijk later onder het bestaande gebouw toegevoegd kan zijn) meet 5,60 m hoog. Dat is wel voldoende voor twee kamers boven elkaar. De kamers waren dan elk 2,80 m hoog, of als ze ongelijk van hoogte waren, bijvoorbeeld 3,00 m en 2,60 m.

Dat zou dan betekenen dat de vloer van de zijkamer, die nu 60 cm. boven het maaiveld gelegen is, flink verhoogd moet zijn.  Op de tekening van Stellingwerff is de ingang gelijk met het maaiveld geplaatst. Als we het vloerniveau van de molkenkelder als uitgangspunt nemen, zouden de oorspronkelijke toegang en de vloer van de zijkamer dan 1.67 lager moeten hebben gelegen dan nu het geval is. Ook het maaiveld moet dan in de loop van de tijd met ongeveer 1 m zijn verhoogd. Het was echter bij grote verbouwingen niet ongebruikelijk dat het peil van de grond rondom een bouwwerk werd verhoogd. Er zijn veel situaties bekend waar diep onder de vloeren oudere vloerlagen zijn ontdekt. Het verhogen van het peil rond een gebouw was een handige manier om een verzonken molkenkelder te creëren.

Op aangeven van en met hulp van de eigenaar Jaap de Boer kon er een groot luik in de plankenvloer van de zijkamer worden geopend.

 

 

Onder het houten luik bevindt zich een uitgegraven ruimte van 1 bij 1,5 m van ongeveer 60 cm diep. Direct onder de houten vloer ligt een Belgisch zwart marmeren tegelvloer op een dun zandlaagje rechtstreeks op de ondergrond. Zo te zien is dat de originele vloer die bij de huidige zijkamer hoort. De grond onder de marmeren vloer blijkt verstoorde terpaarde te zijn, korrelig bruin-zwart en zichtbaar opgeworpen.  Vanuit het luik is de gestucte tussenmuur te zien en de binnenkant van de voorgevel ter hoogte van de toegangsdeur. Op die voorgevel zijn onder de vloer restjes van witjes te zien. 13 bij 13 cm. In totaal blijken er minimaal negen lagen tegels te hebben gezeten. Verder vinden we op een flinke diepte de restanten van de 2e gangmuur. Vandaag de dag komt de toegangsdeur rechtstreeks in de zijkamer uit maar de gang had vroeger dus twee gemetselde steensmuren op een afstand van 153 cm.

 

Een en ander maakt duidelijk dat de zijkamer inderdaad flink verhoogd is en dat het peil binnen en buiten de woning eertijds ongeveer gelijk met de huidige vloer van de molkenkelder moet zijn geweest.
Wat niet vastgesteld kon worden is of de vloer van de molkenkelder zelf verhoogd is en of de totale hoogte van de woning vroeger misschien nog groter was.
Naast dit alles is in de molkenkelder duidelijk de aftekening te zien van de doorgang die er eertijds tussen de gang en deze ruimte, voordat deze molkenkelder werd, is geweest.

 

Conclusie.
Uit de oostelijke vroegere topgevel met de nog zichtbare raamsparingen blijkt dat de huidige zolderbalken op dezelfde hoogte liggen als tijdens de bouw van het voorhuis.  Aan de hand van de balkenlagen kan de oorspronkelijke bouw van het voorhuis gedateerd worden op ongeveer 1645.  De plafondbalken van de bovenverdieping waren van een prachtig geschilderde blauwe en een rode kamer. Op deze balken lag de zoldervloer.

Deze bovenverdieping is zeer waarschijnlijk het woongedeelte van de adellijke familie geweest.

De zware eiken balken, zoals ze nu nog in de molkenkamer te vinden zijn, vormden hoogst waarschijnlijk de vloer van de verdieping. Ze hebben dezelfde ouderdom (1640-1650) als de zolderbalken.

Het feit dat er ooit nog minimaal 9 lagen tegels onder de huidige zijkamervloer waren bevestigt het idee dat de zijkamer en molkenkamer samen de twee kamers van de beneden verdieping vormden. Als het peil van deze beneden verdieping gelijk of iets hoger was dan het grondpeil buiten dan is de grond rond de woning flink verhoogd. Door de verhoging van de grond rond het pand ontstond er een molkenkelder. De witte tegeltjes onder de zijkamervloer en  de grove afwerking van de muren van de molkenkelder geven het idee dat beneden de werkruimten voor het personeel waren gelegen.

Uit andere bronnen weten we dat er een grote verbouwing heeft plaatsgevonden in 1756. Omdat het timmerwerk in de opkamer ouder is dan 1844 en omdat deze bronnen aangeven dat adellijke huizinge in 1756 omgevormd werd tot een boerderij met statig voorhuis, is het zeer waarschijnlijk dat de huidige kamer indeling met de zijkamer, molkenkamer en opkamer uit die tijd van de verbouwing van 1756 stamt.

In 1848, vier jaar na de brand, is het dak van het voorhuis gehaald en is de nieuwe schuur over het huis heen gebouwd. De voorste bintstijlen werden op de zolderbalkenlaag gezet.

We zullen nooit met zekerheid weten of het huidige gebouw oorspronkelijk hetzelfde gebouw is dat Stellingwerff heeft getekend. De bouwvorm met twee bouwlagen en een zolder en met twee kamers aan weerskanten van de middengang was heel gebruikelijk in die tijd en er waren dus wel meer gebouwen die er ongeveer zo uitzagen. Het valt niet uit te sluiten dat in de archieven Groot en Klein Oenema door elkaar worden gehaald. Er is ook (nog) geen verklaring te vinden voor het feit dat de bijgebouwen die op de tekening staan, op de plek van de huidige slotgracht moeten hebben gestaan. De gracht zou dan verlegd moeten zijn.

Het lijkt er niet op dat de muren van de molkenkelder een restant van een vroegere stins vormen. Er is op de achtermuur van het gebouw geen aanzet te zien waaruit blijkt dat er een stinstoren verbreed zou zijn met een extra ruimte. De buitenmuren van het huis zijn gemetseld met overal dezelfde rode steen en de muren zijn op de begane grond alle vier ongeveer 45 cm dik. Nergens zijn kloostermoppen te ontdekken.

Aanbeveling.
In de verschillende beschrijvingen lijken Groot en Klein Oenema regelmatig met elkaar te zijn verward. Het zou goed zijn om de geschiedenis van beide locaties nog eens diepgaand te onderzoeken.

De tekening van J. Stellingwerf is meer een impressie dan een nauwgezette en realistische weergave. De ingangsdeur is bijvoorbeeld zo klein getekend dat de ramen rechts hoger zitten dan de bovenkant van de deur. Men moet de tekening dus niet in al teveel detail willen interpreteren en vergelijken met de huidige situatie.

 

Chantal Borghaerts ontdekt laag na laag van tegeltjes op de voormuur onder de vloer van de zijkamer van Klein Oenema.

Easterein 13 april 2017.  Tekst, foto’s en dendrochronologische ouderdomsbepalingen; Paul Borghaerts (c).

Redactioneel meelezer; Liuwe Westra, Lollum.

 

Grondplan van een eenvoudige greide-boerderij

Beschrijving van het vloerplan van een eenvoudige Greide-boerderij aan de hand van de tekening die hoort bij het bestek van de nieuw te bouwen schuur op Monsma zaete te Hennaerd in 1709. De opdrachtgevers waren de erven van de oud-burgemeester van Bolsward, Gerben Monsma. Afgezien van wat kleine verschillen is dit schema een paar eeuwen lang het grondplan voor alle greide-schuren geweest. Van aanvankelijk acht à negen stallen tot veertien stallen en van drie tot vijf binten lang. Ondanks dat de schuren door de eeuwen heen groter werden, bleef het basisschema in grote lijnen ongewijzigd. Vanaf ongeveer 1875 werd er geëxperimenteerd met de Hollandse stal, waarbij de koeien met de kop naar de binnenmuur gedraaid staan. Deze experimenten leidden na de Eerste Wereldoorlog tot schuren waarin de voorlopers van de latere ligboxstallen al in het grondplan te herkennen zijn.

De benamingen uit de archieven voor de verschillende gedeelten van het historische gebouw zijn zoveel mogelijk aangehouden.

Op de tekening ligt het voorhuis op de plek waar nu de letter G staat. Het binnenhuis en het buitenhuis moesten van de opdrachtgevers blijven staan. Het oude buitenhuis (het stalgedeelte van het langhuis dat er al eeuwen stond) werd aangepast voor de nieuwe situatie. De losstaande hooischuur werd afgebroken en het hout werd hergebruikt bij de bouw van de nieuwe schuur.


A. In het midden van de Friese schuur liggen de “gollen”, de hooivakken waarin het hooi tot aan het dak toe opgetast werd, met daar omheen vier aflegeringen. Op de tekening weergegeven met de letter B, C, D en E.
B. Het groot-buitenhuis, grut bûthús in het Fries. De stalling van het melkvee.
C. Het kleine buitenhuis, lyts Bûthús. De stalling voor de rieren, de éénjarige koeien, het jongvee en de stier en in dit geval ook de paarden.
D. Het schuurpad, skuorreed. De plek voor de wagens en voor het afladen van het hooi. Achter de schuurdeuren tegen de buitenmuur is de gebruikelijke plaats voor de paardenstal. Langs de lange buitenmuur waren werktafels om kaas te maken.
E. De aflegering voor de karnmolen die werd aangedreven door een klein paard, de kedde genaamd. Verder is hier meestal de ruimte voor de boterbereiding, de tsjernherne, met de karnton en nog een woonvertrek. Soms zit de melkkamer ook onder dit dakvlak, met name als de schuurdeuren aan de achterkant van de schuur zitten zoals in dit geval.

F. Op deze tekening is dit “de kooken”, de keuken en de ruimte voor de boterbereiding. Deze “kooken” is het middelhuis of milhûs van het langhuis dat hier ooit stond.
G. De plek van het voorhuis. Het voorhuis ligt vrijwel altijd in het verlengde van de veestalling, het buitenhuis.

B. Het groot buitenhuis.
vloerplan-groot-buitenhuis

H. De stallen voor het melkvee. De oudste greide-boerderijen hadden acht of negen stallen. De stallen waren rond de 1 meter 80 breed en 2 meter diep. De stallen in het buitenhuis waren vaak verschillend van breedte. Het wat kleinere vee ging in de smalle stallen en het grotere vee in de bredere stallen. Een slimme manier van omgaan met de ruimte! Tegen 1850 waren de stallen al gemiddeld 2,20 m diep en 2,40 m breed. Je ziet dan ook vaak aan sporen in de zoldering of aan de buitenmuur dat de stallen in de loop van de tijd zijn verbreed. Het vee werd groter en had meer ruimte nodig. Het lijkt er op dat er op verschillende momenten heel divers over de juiste maatvoering voor de stalling werd gedacht. Er zijn voorbeelden van stallen gebouwd in de 18e eeuw die bij de bouw al 2,30 m breed zijn en er zijn stallen gebouwd ná 1800 die maar 2,00 m breed zijn. Misschien zegt dat iets over het fokken van vee en over de verschillende opvattingen die de boeren konden hebben over de optimale maat van het vee.

Een “vak” is een ander woord voor een stal. In het langhuis stond tussen elke stal een “koebint”. Dat was de draagconstructie van het dak van het gebouw.  Die koebinten stonden dus op een meter of twee van elkaar, al gelang de breedte van de stallen. In de Friese schuren, en daarvoor ook in het langhuis, staat het vee met de koppen naar de buitenmuur gericht. Elke stal heeft een raampje in de buitenmuur. Je kunt dus aan de buitenkant de raampjes tellen om te weten hoeveel “vak” oftewel hoeveel stallen een schuur heeft. In elke stal staan twee stuks vee. Het verhaal gaat dat vroeger de jongelingen de koeruitjes van de boerderij van de geliefde telden en daaraan wisten hoe rijk de familie was.

I. De groppe, grup of mestgoot. De mestgoot moest een paar graden aflopen naar achteren. Dan kon de urine, de jarre, aflopen naar de sloot en bleef de mest, de dong liggen. De stront werd uit de groppe geschept en samen met het vuile stro uit de veestalling op de mestvaalt, de rûchskerne gegooid om later als rûge dong, over het land verspreid te worden. De urine kwam dus niet samen met de weke stront over het land zoals vandaag de dag.

J. De buitenhuis-vloer,  zo staat hier te lezen in de tekening. De gebruikelijke Friese naam was en is de mielgong.  De buitenhuis-vloer moet gestraat worden met “beste klinkert” staat in de bouwbeschrijving die hoort bij deze tekening. (Zie het kader onder dit artikel met een uitleg over de mogelijke betekenis en ontstaansgeschiedenis  van het woord “mielgong” geschreven door Liuwe Westra).

X. Het lijkt erop dat dit het toilet, het húske, is maar het lijkt mij waarschijnlijker dat het de waterput, de saad, is. Het húske staat gewoonlijk buiten de stal. De saad bevindt zich meestal tegen de binnenmuur van het groot-buitenhuis ongeveer op twee-derde van de lengte. Dat was de beste plek om zowel de dieren in het groot-buitenhuis als de dieren in het klein-buitenhuis van water te kunnen voorzien. Op de put stond een waterpomp waarmee het water in een opvangbak werd gepompt. Daarna kon met emmers het water gemakkelijk uit de waterbak geschept worden. In deze bak werden ook bijvoeders voor de dieren klaargemaakt en gemengd met water.

U. De doorgang naar het middenhuis, de kooken of in dit geval ook de ruimte voor de boterverwerking, de tsjerne.

R. De buitenhuisdeur. De toegang voor mens en vee. Meestal is deze deur een “melkmeisje”, een brede deur met ramen aan weerskanten.

Het klein-buitenhuis.
vloerplan-klein-buitenhuis

Op deze tekening is het klein-buitenhuis ingedeeld op een manier zoals ik die verder nog nergens ben tegengekomen. Mogelijk laat dit unieke document een indeling  zien die later niet meer gangbaar was.

Bij K. L. en M. staatvermeld  dat het de stallen voor jonge koeien zijn, van 6 tot 6,5 voet breed en 7 voet diep, oftewel. 1,90 m bij 2,20 m
O. De peerdestallen.
P. De groppe
Q De klein buitenhuis-vloer

SAMSUNG CSC

Gebruikelijk zijn er in het klein-buitenhuis vier stallen voor de rieren tegen de buitenmuur (A) en drie stallen voor jongvee (D) en een stal voor de stier, de bolle, (E) aan de binnenmuur met daartussen het middenpad (C) met aan weerskanten een groppe (B).

Als de schuurdeuren aan de voorkant zaten dan kon het klein buitenhuis zes vakken voor de rieren aan de achtermuur hebben en als de schuurdeuren aan de achterkant zaten waren er vier vakken voor de rieren.

Het schuurpad, de skuorreed
vloerplan-schuurpad

S. De grote schuurdeuren.

De grote schuurdeuren bevinden zich in dit geval aan de achterkant van de schuur. Het komt soms voor dat de schuurdeuren aan de voorkant zitten. Het klein-buitenhuis kan dan achter het schuurpad langs doorgetrokken worden en in plaats van vier wel zes stallen hebben aan de achtermuur.

T. “De uitlegers-door” heet deze deur op deze tekening. Het paard kwam met de hooiwagens de schuur binnen. De hooiwagens werden voor het afladen achter elkaar opgesteld. Het paard kon dan door deze deur de schuur weer uitgeleid worden om de volgende wagen te halen. Meestal is de paardenstal naast de grote schuurdeuren aan de buitenmuur met een klein raampje naast de schuurdeuren.

 

vloerplan-karnmolen

Deze tekening is, zoals al gezegd, gemaakt in 1709 als bijlage bij een bestek voor een nieuw te bouwen schuur. De opdracht was het bestaande langhuis te laten staan en daar een nieuwe hooischuur tegenaan te bouwen en de dakvlakken te integreren. Op deze manier ontstond een Friese boerderij zoals we die nu nog overal in het landschap zien.  Uit het bestek is op te maken dat in deze voorkant de karnmolen was gesitueerd.

V,W.  De bedsteden op een zeer onhandige plek. Dit is nog een herinnering aan het langhuis waar ze eerder deel van uitmaakten.

De “huijzinge” is vanouds het onderkomen van mens en vee. Ooit, als voorloper van de “Friese schuur”, bestond het langwerpige langhuis uit een binnenhuis, oftewel het voorhuis waar de boer en zijn gezin woonde, een middelhuis waar de boterbereiding en dergelijke plaatsvond en daarachter het buitenhuis, de veestalling. Op deze tekening is het voorhuis niet getekend (G). Het middelhuis (F) wordt hier de kooken genoemd en het historische buitenhuis heet hier op de tekening ook nog zo. Het bouwschema van het oude langhuis is daarmee nog goed herkenbaar in deze tekening van een Friese schuur. Het is hoogst opmerkelijk dat de hooiberging, die in de tijd van het langhuis nog los van de huijzinge stond, in de tekening ook nog gewoon schuijre heet en de veestalling traditioneel het buitenhuis wordt genoemd, aanduidingen die uit de tijd van het langhuis stammen en die tot op de dag van vandaag nog door de boeren worden gebruikt. Met het buitenhuis wordt zonder uitzondering de veestalling bedoeld en met de schuur de grote open ruimte van de hooiberging met het schuurpad (D).

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

over het woord 'mielgong'

‘Mielgong’, in het Fries uitgesproken als ‘mjilgoong’, moet een samenstelling zijn van ‘miel’ en ‘gong’. ‘Miel’ lijkt op ‘mil’, een oude Friese vorm voor Nederlands ‘middel’. Tegenwoordig wordt ‘mil’, overeenkomstig de uitspraak, als ‘mul’ gespeld en is het nog steeds het gewone woord voor het lichaamsdeel ‘middel’ of ‘taille’. De term ‘milhuis’ als deel van een boerderij hoor je tegenwoordig weinig meer, maar bestaat nog wel: de uitspraak is in modern Fries dan ook ‘mulhûs’ of ‘mulhús’. Tot enige enige jaren geleden stond er in Wommels aan ’t Bosk een kerkelijk verenigingsgebouw met die naam. De naam was gekozen omdat het gebouw tussen het kerkgebouw (de oude Sint Jacobi) en het gebouw voor feesten en partijen ‘it Dielshûs’ in stond. Nog later kreeg het bijgebouw van de voormalige Gereformeerde kerk aan de Hottingawei de naam (‘It Foarhús’), zodat de hele oude Friese boerenhuizinge in de dorpsplattegrond terug te vinden was.

Maar ‘miel’ is een ander woord dan ‘mil/mul’. Het is een woord voor ‘maaltijd’, maar vanouds ook voor ‘keer’ (als in ‘twee maal twee’). Een ‘maal’ eten is oorspronkelijk dan ook een ‘keer’ eten, en een maaltijd wordt in het Fries nog altijd wel aangeduid als ‘in miel iten’. Maar het kan ook op andere dingen worden toegepast, bijvoorbeeld op de hoeveelheid urine die iemand tijdens één sanitaire stop afscheidt. Bij een bezoek aan dokter of ziekenhuis moet je soms een ‘moarnsmiel’ meenemen.

Zo kun je op het boerenbedrijf nog steeds horen, dat een koe zoveel liter ‘it miel’ (‘per maal’) geeft, en als je één koe om wat voor reden dan ook apart melkt, heb je in de emmer ‘in miel’. Daar weer van afgeleid is de betekenis ‘melkbeurt’: op de meeste boerderijen melken ze ‘twa miellen’, maar sommige boeren melken ook tussen de middag, en dan heb je dus ‘trije miellen’. (Of het woord op bedrijven met een melkrobot ook nog functioneert, durf ik niet te te zeggen.)

Ik vermoed, dat we van deze betekenis moeten uitgaan bij het woord ‘mielgong’. Het zou dan in eerste instantie het proces van één keer melken aanduiden, waarbij men de hele rij koeien in het ‘bûthús’ systematisch van beneden naar boven afwerkt. De melkers lopen dan steeds over het pad heen en weer om de emmers te legen en de ‘tjems’ te verzetten. Bovendien moet iedere koe drie keer worden bezocht: één keer om de uier schoon te maken, één keer voor het gewone melken, en één keer voor het ‘neimelken’ (dat is uitgestorven met de komst van het melken in de put met visgraat; daarvóór werd ook bij machinaal melken vaak nog met de hand nagemolken). Van ‘melkproces per keer’ of ‘melktraject’ zou het woord dan zijn overgegaan op de ruimte waarop de bedrijvigheid plaatsvond, misschien bevorderd doordat uitdrukkingen als ‘healwei de mielgong’ of ‘oan it begjin fan ’e mielgong’ door de spreker als een aanduiding van tijd werden bedoeld (‘halverwege het melkproces’ etc.) en door de verstaander werden opgevat als aanduiding van plaats ‘halverwege het melkpad’).

Een andere verklaring zou nog met het voeren van het hooi te maken kunnen hebben. De uitdrukking ‘oer de mielgong fuorje’ (Woorden der Friese Taal) betekent, dat men het hooi niet door de luiken voor de koeien gooide, maar door een deur tussen ‘golle’ en ‘bûthús’ op de vloer wierp, en vandaar voor de koeien. Maar dan zou een portie veevoer als ‘miel’ aangeduid moeten zijn, en daar zijn bij mijn weten geen aanwijzingen voor.

Liuwe H. Westra

Vurenhout in de boerderijbouw

 

Hierboven is een bintwerk afgebeeld zoals het industrieel gemaakt werd in de tweede helft van de negentiende eeuw. Het heeft de kenmerkende afgeschuinde hoeken aan de stijlen en het draaghout ligt nagenoeg boven de stijl.  De stijl sluit mooi aan op de afgeschuinde liggerbalk en het zware houtwerk is niet vierkant in doorsnede maar iets rechthoekig, 32 bij 28 cm om precies te zijn. De afstand tussen de stijlen in de breedte van het gebouw zijn tot op de centimeter gelijk.  In de lengte richting staan de binten nooit precies op dezelfde afstand van elkaar maar vanaf de negentiende eeuw staan de linker- en de rechterstijlen wel precies even ver van elkaar af. Van deze bintwerken staan er heel wat in het Greide-gebied van Friesland. Over het algemeen zijn ze van grenenhout gemaakt, hoofdzakelijk uit het midden van Zweden en soms zelfs uit Finland.

Het geheim van het hierboven afgebeelde bintwerk kwam pas bij de inmeting en met name bij de houtanalyse van de boorstalen aan het licht.
Het bintwerk is namelijk gemaakt van vurenhout en niet van grenenhout

Voor de bouw van bintwerken werd in de loop van de tijd gebruik gemaakt van verschillende houtsoorten. Tot 1600 werd alles gebouwd in eikenhout, in de periode 1600-1840 werd hoofdzakelijk grenen gebruikt en incidenteel eiken. In de periode 1840-1890 werden grenen en vuren gebruikt en na 1890 vuren en Amerikaans grenen.

Rond 1600 vond dus de overgang plaats naar het bouwen in grenenhout. Op dit moment heb ik diverse bintwerken in onderzoek waarbij de overgangssituatie van eiken naar grenen hierin bestaat dat de stijlen van eikenhout zijn en de liggende delen en schoren van grenenhout.

Er zijn twee varianten van deze overgangssituatie aan te wijzen.

In de eerste variant waren de eiken stijlen én de liggende grenen delen bij de bouw nieuw. Het grenenhout is dus even oud als het eikenhout. Dergelijke bintwerken zijn gebouwd vanaf 1600 in de overgangsperiode van het volledig in eikenhout bouwen naar het volledig in grenenhout bouwen.

In de tweede variant zijn de eikenhouten stijlen hergebruikt en waren de liggende grenen delen op het moment van de bouw nieuw. Het grenenhout geeft daarmee aan wanneer het gebouw gebouwd is en het eikenhout zegt iets over een eerdere bouwfase, als het hout tenminste van de bouwlocatie afkomstig is. Dit soort composities van hergebruikt eiken en nieuw grenenhout komt voor vanaf 1600 tot wel 1800. Op het moment dat de oude eiken hooischuur werd afgebroken werden de stijlen in het nieuwe gebouw hergebruikt.

QUSP, Quercus, Oak, Eik, Eikenhout

Het oude eikenhout van voor 1600 is helemaal donkerbruin van kleur geworden. Dat komt door het looizuur dat er in eikenhout zit. Dit looizuur beschermt het hout tegen schimmels en insecten. De buitenste spintringen zijn lichter van kleur.

Vóór 1600 komt er geen grenenhout voor (hoewel ik misschien toch iets op het spoor ben); na zestienhonderd komt er nog wel nieuw eikenhout voor, maar dan slechts sporadisch. Eikenhout was namelijk erg duur. In een paar Friese Staten heb ik eikenhout van na 1600 gevonden, zoals in het voorhuis van Oenema State te Wytgaard en Donia State te Spannum. Die zijn in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd met gebruikmaking van eikenhout uit Duitsland. De schuur van Oenema State is in 1848 herbouwd met vurenhout(!) en de schuur van Donia State is inmiddels afgebroken.

PISY, Pinus Silvestris, Scotch Pine, Grove Den, Grenenhout

Grenenhout kenmerkt zich o.a. door de harskanaaltjes die duidelijk in het donkere najaarshout te zien zijn.

Grenenhout komt vanaf 1600 eerst uit Noorwegen en later uit het gebied rond de Oostzee. Het wordt gebruikt tot tegen 1900, wanneer door schaarste het Amerikaans grenen zijn intrede doet.
Grenenhout heeft een duidelijke harslucht, vooral bij zagen en boren. Er is ook een duidelijk kleurverschil tussen het spint en kernhout

Van de 800 verzamelde houtstalen (januari 2017) zijn er ruim 100 van eikenhout. Er zijn eveneens een honderdtal stalen van vurenhout, een paar van zilverspar en tegen de 600 van grenenhout.

Ten opzichte van het grenenhout vormt het vurenhout dus ongeveer 14% van de verzameling. Vurenhout komt vaak voor in de jaagbanden en andere kleinere constructiedelen van de boerderijen en het is na 1840 ook geregeld gebruikt bij boerderijen die verlengd werden met een extra bint. Heel bijzonder was het om maar liefst negen boerderijen te ontdekken die helemaal gebouwd zijn van vurenhout. Opvallend is dat er daarvan alleen al vier rond het dorp Spannum staan! Was het misschien dezelfde aannemer die met vurenhout was gaan werken? De oudste in vurenhout gebouwde schuur is van 1848 en de jongste van na 1900.

Hier blijkt dus uit dat door de schaarste aan grenenhout, die in het midden van de negentiende eeuw ontstond, niet alleen grenenhout uit verder gelegen gebieden werd gehaald maar dat er ook naar vurenhout uitgeweken werd. Dit vurenhout was vaak rondhout!

PCAB, Picea Abies, Norway Spruce, Fijnspar, Vurenhout

ABAL, Abies Alba, Silver Fir, Zilverspar, Dennenhout

Vurenhout kent maar weinig harskanalen en zilverspar zelfs helemaal geen. Vurenhout en zilverspar hebben geen herkenbaar kernhout en bij het bewerken ruikt het hout wat muf.

Sterk verwormde vurenhouten  rondhouten stijl van een dorpsboerderij in Makkum

Het heeft geen enkele zin  vurenhout te kantrechten. Het kantrechten van eiken- en grenenhout gebeurde om het spinthout ervan af te kappen zodat het minder gevoelig werd voor houtworm. Vurenhout heeft geen kernhout en daarom werd het meestal niet gekantrecht en is het in de vorm van (vaak sterk door houtworm aangetast) rondhout herkenbaar.

Op de eerste foto van dit artikel is te zien dat het draaghout van het relatief jonge bintwerk met trekijzers aan de liggerbalk is bevestigd om verder afschuiven te voorkomen. De oorzaak is zonder twijfel het zwakkere vurenhout. Bij een grenen bintwerk van deze leeftijd is zo’n maatregel ondenkbaar.

Paul Borghaerts februari 2017 (c)
Redactioneel meelezer Liuwe Westra Lollum

Kantrechten van bomen

 

Kantrechten
Voor het zware constructiehout van de Friese greide- en bouwboerderijen werden eeuwen lang, tot ver in de negentiende eeuw, dikke rechte bomen gekapt. De gevelde stammen werden na het kappen met de hand gekantrecht. Dat wil zeggen dat de bomen met bijl en baardaaks werden ongevormd tot min of meer vierkante balken.

Van de zware balken die zo ontstonden werd het zware bintwerk oftewel het grutbynt,  bestaande uit de de bintstijlen, liggerbalken, korbelen en de draaghouten, gemaakt.

Stijlen en liggerbalken van een bint zijn dus niets anders dan complete boomstammen waar met de hand de schaaldelen vanaf gehaald zijn. Daar kwam vroeger geen zaag aan te pas.

afbeelding2

Eerst werd er een met krijt ingewreven katoenen “spatlijn” in de lengte op het hout strak getrokken. Door die lijn in het midden net als de pees van een boog uit te rekken en los te laten schieten werd er een rechte krijtstreep op het rondhout gezet. Vervolgens werden er met de bijl kepen in de boom gehakt tot precies op die lijn.

afbeelding5

Daarna werd met de baardaaks achteruitlopend het ingekeepte schaaldeel er afgehakt. Door de eerder gezette bijlkepen werd voorkomen dat het hout ging splijten en kon de buitenkant goed recht gehakt worden

 

afbeelding4

Het was een buitengewoon snelle methode om met de bijl en baardaaks een boom te kantrechten. Een vakman kon dat in weinig tijd doen.

 

 

 

 

Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was
Met bijl en baardaaks gekantrecht hout zoals dat in Friesland tot 1880-90 gebruikelijk was

 

Zagen
Alleen voor de  draaghouten, korbelen en soms de jaagbanden werd een met de hand gekantrechte balk, met meestal dezelfde maat als de stijlen, één keer in de lengte doormidden gezaagd.

Ook komt het een enkele keer voor dat de jaagbanden zijn gemaakt van rondhout dat in de lengte doormidden is gezaagd. Meestal zijn de jaagbanden echter gemaakt van wat dunnere stammen (25-30 cm. doorsnee), die licht gekantrecht zijn.

Behalve aan de onderkant van het draaghout, bij de korbelen en soms bij de jaagbanden komen zaagsporen dus nagenoeg niet voor in het bintwerk van de Friese boerderijen van voor 1890. Alleen voor het afkorten van het hout en voor het maken van de verbindingen zal de zaag zijn gebruikt. Soms vind ik fijne zaagsporen op met de hand gekantrecht hout op plekken waar dikke knoesten zitten.

Doorsnede van een boom met de benamingen
stamdoorsnee
A hart van de boom
B kernhout
C spinthout
D cambium
E bast.  Op de foto is onderaan nog maar een klein stukje van de bast te zien.

Kernhout en spinthout vormen samen het xyleem, het hout. De bast wordt ook wel het floeëm genoemd. In het spinthout gaat de sapstroom omhoog en in de bast gaat de sapstroom omlaag. Tussen xyleem en floeëm oftewel tussen hout en bast zit het cambium, een dun vlies dat houtcellen naar binnentoe afzet en bastcellen naar buiten toe.

Het verschil tussen kernhout en spinthout is dat in het kernhout de sapkanalen zijn afgesloten met stoffen die het hout beschermen. Spinthout is gevoelig voor houtworm. Kernhout is veel minder gevoelig voor houtworm of zelfs helemaal niet.

Kantrechten door de eeuwen heen
Het is makkelijker om met gekantrecht hout een constructie met bijvoorbeeld een  pen en gat verbinding te maken. Ondanks dat is het verwijderen van het buitenste wormgevoelige spinthout, zeker bij grenen, altijd de belangrijkste reden om te kantrechten geweest.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.

tweezijdig gekantrecht eikenhout.
Het oudste, zestiende-eeuwse eikenhout dat werd gebruikt voor de bintwerken in boerderijen was tweezijdig gekantrecht. Eikenhout heeft gemiddeld maar iets van 25 spintringen. Deze vormen de buitenste één tot twee centimeter van het hout. Het “gat” voor de pen-en-gatverbindingen wordt veel dieper in het hout gekapt dus dat de buitenste centimeter in de loop van de tijd verwormd raakt, heeft nagenoeg geen gevolgen voor de sterkte van de constructie.

Voor grenenhout is dat heel anders. Het spinthout daarvan kan wel vijf tot tien centimeter dik zijn. Verbindingen die in het spinthout zijn gekapt kunnen sterk verzwakken als het dikke spinthout aangetast wordt door houtworm. Vandaar dat kantrechten veel belangrijker is bij grenenhout dan bij eikenhout. En de timmerlieden wisten dat!

Als vanaf 1600 het grenenhout zijn intrede doet worden er eerst nog veel boerderijen gebouwd met tweezijdig gekantrecht hout. Het was timmermanstraditie om dat zo te doen.

2 zijdig gekantrechte stijl met de overstekende liggerbalk
Tweezijdig gekantrechte stijl en liggerbalk. De zijkanten zijn nog duidelijk rond.

Er werd al snel van deze gewoonte afgestapt. Er zijn maar weinig boerderijen te vinden van ná 1700 die nog zo gebouwd zijn. Pas laat in de negentiende eeuw komt het weer voor maar dan uit armoe. Er is dan gewoonweg niet voldoende dik hout meer te krijgen.

In de bouwhoek, waar de boerderijen altijd al groter van opzet waren, werd tweezijdig gekantrecht grenenhout vaker en ook nog langer, wel tot in de achttiende eeuw,  gebruikt. Dit hout is zonder uitzondering op de ronde spintkanten sterk aangetast.

 

diep gekantrecht eikenhout
Diep gekantrecht eikenhout. In grenenhout is de overgang van kernhout naar spinthout minder goed te zien. Duidelijk is te zien dat er alleen nog wat (lichter gekleurd) spinthout op de hoeken zit.

Voor grenenhout is het dus belangrijk dat het diep gekantrecht wordt en met het dikke hout dat in de zeventiende eeuw en achttiende eeuw nog verkrijgbaar was gebeurde dat ook. Er blijft dan alleen nog wat spinthout over op de hoeken.

 

Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is
Onvoldoende diep gekantrecht hout waardoor er ook nog spinthout op de zijkanten te vinden is

Naarmate in de loop van de tijd de bossen rond de Oostzee uitgeput raakten, waren er steeds minder dikke bomen beschikbaar. De dunnere bomen konden niet meer voldoende diep gekantrecht worden met als gevolg dat het spinthout minder diep weggehakt kon worden. Er  bleef daardoor ook spinthout staan op de platte vlakken. Vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw wordt dit een serieus probleem.

dsc_1916Kenmerkend voor het grenenhout uit de eerste helft van de negentiende eeuw is dat het heel grof van structuur is met enorme knoesten en veel spinthout. Het hout is snel gegroeid met brede jaarringen tot gevolg. Brede jaarringen wijzen op een warmer klimaat met gunstigere groeiomstandigheden en daarmee op een niet zuidelijker herkomst gebied.
Dat grove hout is voor fijn timmerwerk totaal ongeschikt maar het dient zijn doel uitstekend voor de boerderijbouw.

dsc_1916bBlijkbaar werden door de houtschaarste ook de minder rechte bomen met veel zware zijtakken gekapt om toch aan de enorme vraag naar hout te kunnen voldoen. Dit hout is vaak moeilijk te dateren omdat er niet genoeg jaarringen zijn om tot een betrouwbare ouderdomsbepaling te kunnen komen.

Een tweede ontwikkeling om de toenemende schaarste van goed grenenhout op te vangen was dat er al vanaf de achttiende eeuw andere houtsoorten dan grenen werden gebruikt voor het zware constructiehout voor boerderijen. In mijn houtstalen-verzameling zit een opmerkelijk hoog aantal vurenhouten stalen. Het is kwalitatief wel een heel ander vurenhout dan het vuren dat we kennen van vandaag de dag. Vurenhouten stijlen en liggerbalken van 150 jaar en ouder zijn over het algemeen wel meer aangetast dan het grenenhout uit dezelfde periode. Ik hoop in de komende tijd een overzicht te maken van de gebruikte houtsoorten in de verschillende perioden en wellicht zal daaruit een relatie met het gebied van herkomst naar voren komen.

Hout uit Midden Zweden en Finland
Tegen het midden van de negentiende eeuw valt er een sterke verandering in het gebruikte constructiehout op. Het hout wordt ineens heel erg fijn van structuur met heel erg veel smalle jaarringen.

Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen
Fijn grenenhout uit Finland met wel 380 jaarringen

Ik heb boorstalen uit 1861 met wel 370 jaarringen over 22 cm. Ik heb het idee, maar dat is nog maar een aanname, dat de houtprijs door de schaarste omhoog ging of dat de transportmogelijkheden verbeterden, want het hout komt bijna zonder uitzondering uit veel noordelijker gelegen gebieden. Midden- en Noord-Zweden en Finland. Blijkbaar konden er in die tijd verder en hoger gelegen bosgebieden winstgevend geëxploiteerd worden. Tegen 1900 raakt blijkbaar ook dit fijne hout op. Of in ieder geval raakt het dikke hout uit dit gebied op.

DSC_6816Er was, naar mijn stellige indruk, in de tweede helft van de negentiende eeuw ergens in het westen van Friesland  een grote timmerwerf betrokken bij het  pre-fab produceren van bintwerken. Bij veel boerderijen zijn de bintwerken op precies dezelfde wijze gebouwd. Kenmerkend is het fijne noordelijke grenenhout, de rechthoekige stijlen, 31 bij 28 cm., en de afgeschuinde hoeken. Bintwerken werden al vroeg, zeker al in de zeventiende eeuw, op een timmerwerf voorbereid en dan in delen naar de bouwplaats vervoerd om daar in elkaar te worden gezet. In de negentiende eeuw gebeurt dat al op industriële schaal.

Vanaf 1890 zijn er twee ontwikkelingen zichtbaar:

Rondhout
Voor de kleinere gebouwen komt het gebruik van rondhout in zwang. Er zijn al enkele met rondhout gebouwde bintwerken in boerderijen te vinden vanaf 1860, maar na 1890 verschijnen er ineens overal boerderijen waarbij het hout, net als in de zestiende en zeventiende eeuw, alleen maar tweezijdig gekantrecht is of vaak zelfs dat niet. Vaak is er aan de vier kanten van het relatief dunne rondhout alleen maar een plat vlak geschaafd. Opvallend is wel dat dat rondhout vaak dezelfde fijne structuur heeft als het hout van de boerderijen van na 1850 met nog wel gekantrecht hout. Waarschijnlijk waren ook in het noorden van het Oostzee gebied, Noord-Zweden en Finland, de zware bomen die goed gekantrecht konden worden op en moest men genoegen nemen met minder dikke bomen die alleen nog maar tweezijdig of zelfs helemaal niet meer gekantrecht konden worden.

Sterk verwormde vuren stijl van een dorpsboerderij in Makkum

De meeste kleinere boerderijen worden vanaf 1890 met rondhout gebouwd, met name in de zuidwest hoek van Friesland. In de vele kleine “koemelkers-boerderijtjes” die dan gebouwd worden is dit rondhout terug te vinden. Die kleine stelp boerderijtjes zijn te herkennen aan de relatief hoge zijmuren met een stijl dak. Tegen 1890-1900 stopten de boeren met de eigen boterbereiding en werd de melk aan de melkfabriek geleverd.  Het lijkt erop dat, nu de boterbereiding aan de melkfabriek werd overgelaten, een heleboel kleine grondeigenaren en koemelkers ook melk aan de melkfabriek gingen leveren. Het rondhout in deze kleine boerderijen, met al het spinthout er nog aan, is meestal al flink verwormd.

Amerikaans grenen
Gelijkertijd gaat men rond 1890 Amerikaans grenen gebruiken als constructiehout voor de grotere bintwerken. Het is te herkennen omdat het vrijwel altijd met een enorme cirkelzaag is gezaagd, waarvan de zaagsporen als halve cirkels op het oppervlak van het hout goed te zien zijn.

Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900
Slank Amerikaans grenen bintwerk van na 1900

Het sterke en taaie hout wordt iets minder zwaar gedimensioneerd. Is het constructiehout voor bintwerken rond 1800 nog 33 bij 33 cm, na 1890 is het Amerikaans grenen hooguit 30 bij 30 cm en meestal 27 bij 27 cm en altijd vierkant in doorsnede! Het is een onvoorstelbaar harde en duurzame houtsoort waar nu, ook na ruim honderd jaar zelden iets aan mankeert. Het is door dit hout dat de gedachte in Friesland leeft dat je een spijker niet in een bint kunt slaan.

Vee in de schuur
Schaalvergroting is van alle tijden. Een voor de boerderijen niet erg gunstige ontwikkeling is geweest dat men vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ook vee op het schuurpad en in de gollen gaat stallen. De veestallingen in het klein en groot “bûthús” waren van oudsher van de gollen en de verdere schuur afgesloten, maar nu kunnen de warmte en het vocht geproduceerd door het vee door de hele schuur trekken. Dit is bij deze boerderijen vandaag de dag nog herkenbaar aan een wat zwartig uitgeslagen houtwerk en riet. Houtworm houdt van spint, warmte en vocht. De boerderijen waar  vee in de open schuurruimte heeft gestaan zien er vaak vies en aangetast uit en zijn dan ook vaak niet meer in een beste staat.

Wateren van hout
Het hout voor de schuurconstructie’s werd niet gewaterd. Wateren wordt gedaan door hout een lange tijd onder water te leggen zodat het hout kan uitspoelen. Dat heeft alleen zin bij hout dat verwerkt gaat worden tot planken en ander timmerhout dat niet krom mag trekken. Als een stam in zijn geheel wordt gebruikt blijft de “spanning” in het hout opgesloten. Wateren heeft dan geen enkele zin. Ook drogen heeft geen zin. Het drogen gebeurt normaal gesproken in een beluchte kapschuur en dat is precies wat een boerenschuur is! Eikenhout wordt overigens door het drogen ook nog eens keihard en moeilijk bewerkbaar.

Samenvattend

Eikenhout wordt als constructie hout gebruikt tot 1600 en enkel nog sporadisch daarna. Grenenhout komt vóór 1600 niet voor. Het eikenhout werd tweezijdig gekantrecht. Na 1600 neemt de gewoonte om tweezijdig te kantrechten af, mede doordat grenenhout een dikkere laag wormgevoelig spinthout heeft waardoor de verbindingen kunnen verzwakken. Eind achttiende eeuw wordt het hout steeds grover van structuur. Het midden van de negentiende eeuw is het hoogtepunt van de Friese schurenbouw. Na 1850 kan er door prijsontwikkeling en/of door veranderende transportmogelijkheden hout van verder en van moeilijker bereikbare hellingen worden gehaald. Dit hout uit Midden- en Noord-Zweden en Finland heeft hele smalle jaarringen. Vanaf 1860 verschijnen ook de eerste schuren die met rondhout zijn gebouwd met hetzelfde fijne hout. Tegen 1890 worden de kleinere schuren met rondhout en de grotere schuren met Amerikaans grenen gebouwd. Rond de Tweede Wereld oorlog komt er een einde aan de Friese schurenbouw.

 

Paul Borghaerts (c) december 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra Lollum

Zijn de eiken krommers in het dakspant van “De Honderd” afkomstig van een schip?

"De Honderd" Klooster Anjum 7 van Bertus Klaver en Anneke Soepboer te Berlikum.
“De Honderd” Klooster Anjum 7 van Bertus Klaver en Anneke Soepboer te Berlikum.

De Honderd, zoals de bovenstaande voormalige boerderij heet, is historisch een erg belangrijk gebouw. Het komt al voor in een beschrijving uit het jaar 839! Lange tijd was het een raadsel waar het gebouw precies lag maar het lukte de onderzoeker Douwe van der Meer de exacte locatie te bepalen aan de hand van beschrijvingen en kaartmateriaal.

Kaart van "De Honderd" in 1651. Bron Trésoar. Het kaartje is een opmeet tekening gemaakt in opdracht van de Amsterdamse burger Jonkheer Hans Nijs. De bewoner was de weduwe van wijlen Gorit Nannis. De zate was ruim 86 pondemate groot. (27 hectare).
Kaart van “De Honderd” in 1651. Bron Tresoar. Het kaartje is een opmeet-tekening gemaakt in opdracht van de Amsterdamse burger Jonkheer Hans Nijs. De bewoner was de weduwe van wijlen Gorit Nannis. De zate was ruim 86 pondemate groot. (27 hectare).

In 839 heeft Lodewijk de Vrome goederen in het Friese Westergo geschonken aan een Gerulf, onder meer in villa Cammingehunderi. Er zijn in de negentiende en twintigste eeuw voortdurend pogingen gedaan deze villa thuis te brengen. De ‘Fryske Akademy’ heeft namelijk een vrij omvangrijke ‘Skiednis fan Menameradiel’ uitgegeven. In dit boek heeft Van Der Meer een korte, maar belangrijke studie geschreven over de vlak bij elkaar gelegen boerderijen Kamminga en Hundert. Deze behoorden in de Middeleeuwen tot het bezit van het naburige klooster Anjum ten noordoosten van Franeker gelegen, maar nog net in Menaldumadeel. Het ziet er naar uit dat hiermee de villa is teruggevonden die Lodewijk de Vrome in 839 geschonken heeft en die later onder andere tot het bezit van het klooster Corvei bij Fulda heeft behoord.

Geschiedenis van en zoektocht naar de locatie van “De Honderd”
https://nl.wikipedia.org/wiki/Villa_Cammingehunderi
De Honderd had meerdere Amsterdamse eigenaren
Zoektocht naar De Honderd
Over het Klooster Anjum waar de Honderd eeuwenlang toe behoorde

Over De Honderd is al heel erg veel geschreven. Veel over de ligging en de historie is inmiddels goed uitgezocht maar er zijn ook nog een aantal onbewezen verhalen die de ronde doen:

Zo zou het huidige gebouw, een voormalige boerderij, zijn gebouwd rond 1580 met een dikke hergebruikte middeleeuwse eiken balk van wel 14 meter in de lengte van het gebouw. De eiken krommers van het dakspant zouden hergebruikte krommers van een schip zijn. Het dak zou rusten op een dubbel gestapeld laat-gotisch eiken spant. Het huis zou staan op de plek van de vroegere boerderij. Enz. enz.

In het voorjaar van 2016 werd ik benaderd door Anneke Soepboer en haar man Bertus Klaver, de huidige eigenaren van De Honderd, met de vraag of er iets van alle aannamen over de ouderdom van het gebouw bevestigd zou kunnen worden door dendrochronologisch onderzoek.

Het was bij binnenkomst al snel duidelijk dat het houtwerk van De Honderd een samenstelling is van verschillende bouwfasen. Dat wil zeggen dat het gebouw niet in één keer is neergezet maar dat er over de tijd flink verbouwd en/of aangebouwd is. SAMSUNG CSCDat is niet ongebruikelijk.     Een zolderbalk in de woonkamer laat nog duidelijk het gat zien van een stijl die er ooit onder gestaan moet hebben. Ook de gaten van de toognagels zijn nog te zien. Op de plek waar de balk nu ligt kan nooit een stijl hebben gestaan. De balk komt óf ergens anders vandaan óf komt uit een eerdere bouwfase van het gebouw zelf en is dus hergebruikt.

SAMSUNG CSCIn de lengte van de woning ligt inderdaad die eerder genoemde lange zware bruine balk.

Alleen is het geen eiken- maar een grenenhouten balk en zo te zien samengesteld uit twee balken achter elkaar. Een wonderlijke plek om een zware balk te leggen, maar bij nadere beschouwing toch niet zo vreemd.

 

SAMSUNG CSC
Op de zolder is het feest! Werkelijk uniek! Het is inderdaad een gestapeld spant met eiken krommers in een uitstekende conditie. Alle krommers zijn er nog, veertien in getal! Van het spant zijn alleen de krommers van eikenhout. De korbelen de hanenbalken, de gordingen en het bovenste deel van het gestapelde spant is  van grenenhout.

De eiken krommers laten geen sporen zien van hergebruik. Ze zijn overduidelijk voor deze toepassing gemaakt en komen dus niet uit een schip. Krommers werden veel gebruikt in de scheepsbouw dus het ligt wel voor de hand te denken dat ze uit een schip afkomstig zouden zijn, maar dat is hier dus beslist niet het geval. Om spanten te maken voor de ronde zijkanten van schepen werden kromme bomen gebruikt. Het was een hele industrie bomen met opzet krom te trekken en in die stand te laten groeien en ze dan te verwerken voor de scheepsbouw en huizenbouw.

SAMSUNG CSCAan één kant is de muur nog hoog opgetrokken. Het spantbeen, de krommer, is met het blokkeel verbonden met de muur. (hier niet zichtbaar)

SAMSUNG CSCAan de andere kant zitten de blokkelen nog wel aan het spantbeen maar de muur waar ze ooit in gezeten moeten hebben is er niet meer. Het dak is wat verder naar buiten gebracht en rust nu op een veel lagere muur.

 

 

SAMSUNG CSC
Het gebouw heeft nu drie beuken. Vroeger was er alleen het middelste deel. De hoge middenbeuk had oorspronkelijk links en rechts een hoge muur waarvan de muurplaat via het blokkeel was verbonden met de spantbenen. De spantbenen, de krommers, staan op de zolderbalken. Zoals het nu is, is aan één kant de muur verwijderd en vervangen door de lange dikke grenenbalk in de lengte van het gebouw. De zolderbalken liggen nu aan één kant nog in de muur en aan de andere kant liggen ze op de zware grenen balk. Naar beide kanten is er later een zijbeuk gevormd door het dak van de middenbeuk door te trekken naar de lage zijmuren van het gebouw.

Eerst maar eens wat feiten.
Als eerste heb ik twee boorstalen van de lange grenen balk afgenomen. Dat is de balk waar nu aan één kant de krommers op staan. Op de zolder kon ik aan de achterkant van de balk komen en ik hoefde dus geen zichtschade in de huiskamer te maken. De wankant, de laatste jaarring was er nog.

Grenenhout gedateerd met Cdendro met een CC van 0,63 en een TT waarde van 10,9 door Paul Borghaerts. Het hout komt uit het gebied van Mälardalen in Zweden. Het is geveld in de winter van 1635-36.
Grenenhout gedateerd met Cdendro met een CC van 0,63 en een TT waarde van 10,9 door Paul Borghaerts. Het hout komt uit het gebied van Mälardalen in Zweden. Het is geveld in de winter van 1635-36.

Van de vier boorstalen van de eiken krommers heeft staal FR11403 zelfs nog een wan. Daarmee staat vast dat de boom in de winter van 1637-38 is gekapt. Helemaal opmerkelijk is het dat men om de krommers te maken de kromme boom in vieren heeft gezaagd. De stalen FR11403 en 5 komen uit dezelfde stam en zaten dus ooit tegen elkaar aan. Het eikenhout komt uit Noord Duitsland.

Gedateerd op 1637 met Cdendro. Paul Borghaerts
Gedateerd op 1637 met Cdendro. Paul Borghaerts

De hergebruikte eiken zolderbalk in de woonkamer  heeft geen wankant maar de spintgrens met nog twaalf spintringen zit er wel aan. De laatste jaarring is van 1511. Er van uitgaande dat dit soort eikenboom gemiddeld 20 spintringen heeft  is het jaar waarin de boom is geveld 1520 plus of min 5 jaar. Dus tussen 1515 en 1525 is de boom gekapt. Zoals reeds vermeld is het niet aantoonbaar dat deze hergebruikte balk uit het pand zelf afkomstig is maar het kan wel. Het hout is overigens afkomstig uit Noorwegen.

 

schermopname-21
In 1651 is op de inmeet tekening een voorhuis met een schuur afgebeeld. Het is even goed kijken maar vooraan rechts voor de schuur staat een smal voorhuisje. (Niet het huisje dat aan de achterkant te zien is!)

Samenvattend

Dit voorhuisje op de tekening is het middelste deel van het huidige gebouw. De krommers zijn van voor 1651; uit 1636-37 om precies te zijn, dus nog van voordat de tekening van het huisje werd gemaakt. Het ziet ernaar uit dat de schuur op een gegeven moment is afgebroken en het ligt voor de hand aan te nemen dat op dat moment het huisje werd verbreed naar twee kanten. Aan één kant van het huisje kwam een aflegering en aan de andere kant werd de muur weggehaald en werden de krommers van het dakspant opgevangen met een lange balk. Het dak werd aan die kant ook nog iets meer naar buiten gebracht. Omdat de lange balk uit de zelfde tijd stamt als de krommers is hety goed mogelijk dat de lange balk een hergebruikte balk is uit de afgebroken schuur. Het is hoogst waarschijnlijk dat het oude voorhuisje  er dus in gewijzigde vorm nog steeds staat! Of de hergebruikte eiken zolderbalk afkomstig is uit de voorganger van dit huisje is op geen enkele manier aan te tonen. Als dat wel het geval is dan was de voorganger van dit huisje al uit de periode 1515-25. Leuk om over te dromen maar verder niet te onderbouwen.

(c) Paul Borghaerts november 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra Lollum

 

 

 

Hergebruik 1. Het toevoegen van een extra bint.

 

De oudste Friese schuren die in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstonden hadden drie binten met daartussen de twee gollen, de twee hooivakken.

Opgestapeld hooi in de "Golle". Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooit los opgestapeld tot aan het dak.
Opgestapeld hooi in de “Golle”. Tegenwoordig zijn het meestal alleen nog maar wat pakje hooi voor de paarden. Vroeger lag het hooi los opgestapeld tot aan het dak.

Schuren met drie en vier hooivakken, oftewel met vier of vijf en soms zelfs wel zes binten, zijn in het greidegebied, het veeteeltgebied van Friesland, meestal een latere vergroting van een al bestaand gebouw. Er werd een bint bijgeplaatst en daarmee werd de hooiopslag met de extra golle die dan ontstond flink vergroot.

 

De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.
De boerderij van Galema te Burgwerd wordt met een extra bint verlengd in 1925. Foto Lolle Baarda.

De binten van de oude schuren staan gemiddeld ruim zes meter van elkaar.  Het naast de gollen in de lengte van het gebouw liggende groot-buitenhuis, de stalling van het melkvee, werd door het bijplaatsen van een extra bint ook ruim zes meter langer en er konden dan twee of drie extra stallen worden geplaatst. Vaak werd dit extra bint nog veel verder geplaatst, wel tot 7,5 meter om nog meer extra ruimte te krijgen. Met twee melkkoeien per stal konden er dus vier tot zes melkkoeien meer gestald worden. Ten opzichte van de oude situatie was dat wel 25-30 procent ruimte winst!

Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.
Flink verlengde schuur van Galema te Burgwerd. Foto Lolle Baarda.

Uit de bovenstaande plattegrond valt op te maken dat de 8 vak lange schuur van Galema te Burgwerd in de nieuwe situatie 10,5 vak lang is geworden.

De grote verbouwing van de schuur was een goed moment om het bedrijfs- en woongedeelte van het gebouw nog eens goed te bezien. Meestal werd voor de verbouwing het achterdak verwijderd en werd het extra bint aan de achterkant geplaatst.  Het kwam ook voor dat er juist aan de voorkant een bint werd bijgeplaatst. Dan moest niet alleen het voordak verwijderd worden maar ook het hele voorhuis of in ieder geval de hals! Bij verschillende kop-romp boerderijen is de hals verdwenen door het naar voren vergroten van de schuur.  Het naar voren verlengen van de schuur gaf meteen de mogelijkheid om het gebouw, indien gewenst, om te vormen tot een stelp of om het nieuwe voorhuis voor of zelfs achter de schuur te zetten. De richting van het gebouw werd dan gekeerd.  Dit soort veranderingen kwam erg veel voor.

 Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Lage lange Rug met flauwe dakhelling. Muren vernieuwd.

Mijn schatting is dat zeker tien tot twintig procent van de schuren in Friesland is verlengd. Ze zijn te herkennen aan een lage lange rug.  Het oude, en in feite hergebruikte bintwerk was nog niet zo hoog,  maximaal 12 meter in de nok. Dit type Friese schuur betitel ik als de ‘lage lange rug’.  Daartegenover staan de negentiende eeuwse schuren met een hoog lang dak. Men dient zich goed te realiseren, dat deze in één keer zo zijn gebouwd. Na achtienhonderd worden de gebintstijlen van de nieuwgebouwde schuren veel langer. De nokhoogte loopt daardoor tegen het midden van de negentiende eeuw op tot wel 14! meter.

Hoge Lange Rug met steile dakhelling
Hoge Lange Rug met steile dakhelling

Dit type schuren met een hoge en lange rug noem ik “de hoge lange rug” Geen mooie benaming maar de vlag dekt de lading heel goed. De lage lange rug is een verlengd oud gebouw uit de zeventiende en achtiende eeuw en de hoge lange rug is in die vorm nieuwgebouwd in de negentiende eeuw.  De “lage lange rug” heeft als onderscheiden kenmerk meestal een flauwe dakhelling, 51 graden op het voor en achterdak en 44 graden op de zijvlakken. Bij de hoge lange rug zijn het voor en achterdak rond de 58 graden en de grote zijvlakken rond de 48 graden. De twee zijvlakken van de Friese schuren hebben zelden dezelfde hellingshoek. Meestal is de kant van de veestalling flauwer om meer breedte te kunnen krijgen over de veestalling.

De oude schuren konden ook op een wat simpelere maar niet minder ingrijpende manier worden vergroot. Het achter en/of voordak moest er dan af maar dan werd er geen bint bijgeplaatst. In plaats daarvan werd de oversteek van de draaghouten zodanig vergroot dat de schuur langer werd. Het spreekt voor zich dat door het grotere en dus zwaardere dak de druk op de buitenste bintstijlen flink werd verhoogd.

Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning in de boerderij van Hylkema te Reduzum
Ver overstekend draaghout met een rondhouten paal als ondersteuning op de hoek. Het totale achterdak rust op een paar dunne rondhouten palen!

Vaak zie je dan dat er een extra steunpaal onder de uiteinden van de ver overstekende draaghouten werd gezet. Er werden ook schuren gebouwd die al bij de nieuwbouw een grote oversteek van het draaghout voor en achter hadden. Deze schuren konden dan met drie in plaats van met vier binten gebouwd worden wat een stuk goedkoper was maar ook aanmerkelijk minder sterk en duurzaam.

Dit soort omvangrijke verbouwingen was het aangewezen moment om het hele dak te vervangen. Het houtwerk van de dakvlakken gaat het minst lang mee, hooguit iets van 100 tot 150 jaar. De draaghouten houden het langer vol en de binten kunnen, mits het schuurdak goed dicht word gehouden, eeuwen en eeuwen mee. Heel veel boerderijen hebben dus nog wel de originele binten maar de draaghouten en het hele dakvlak is al eens, of zelfs vaker, vernieuwd.

Schuren met een bijgeplaatst bint zijn erg interessant voor het onderzoek. De oude binten geven informatie over het oprichtingsjaar van de schuur, en het toegevoegde bint zegt iets over de uitbreidingsfase van het gebouw.

fr09100
Deze stalen, afgenomen van de boerderij van Galema te Burgwerd, geven een mooie onderbouwing van het verhaal over de verlenging van deze boerderij. Op de gevel staat dat het gebouw oorspronkelijk is gebouwd in 1863 en van de foto van de verlenging van het gebouw is bekend dat dat in 1925 heeft plaatsgevonden. De stalen met de nummers 9105 en 9106 horen bij die verlenging. Ze dateren van de winter van 1923-24. De andere stalen horen bij de bouw uit 1863 en ze dateren van de winter van 1861-62.

Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).
Datering van de stalen van het verlengde deel van de boerderij van Galema te Burgwerd (Lars-Ake Larsson en Paul Borghaerts).

Er gaat het verhaal dat de boerderij van Galema in 1863 werd gebouwd met het materiaal van een andere afgebroken schuur en dat de boerderij in zijn geheel zou zijn verplaatst. Die theorie wordt nergens door bevestigd. Het oorspronkelijke gebouw is gebouwd met rondhouten stijlen. Voor 1860 kwam dat nagenoeg niet voor.  Het zou kunnen zijn dat er wat kleiner timmerhout uit een eerdere boerderij is gebruikt maar het grote bintwerk is zonder twijfel in 1863 met nieuw hout opgericht, volgens de dendrochronologische dateringen van de stalen uit de winter van 1861-62.

Het is altijd interessant om na te gaan of er rond de tijd van de vergroting van het gebouw een nieuwe eigenaar is gekomen of dat er grote veranderingen in het grondbezit plaatsvonden. Vaak is dat zo.

De komst van een nieuwe eigenaar of een grote erfenis of belangrijke grondaankopen kunnen allemaal de aanleiding zijn voor het bouwen van een nieuwe schuur of voor het vergroten van een al bestaande schuur.

In een gebouw met een toegevoegd bint bevinden zich bouwhistorisch eigenlijk twee gebouwen: dat van de oude en dat van de nieuwe situatie. Ik probeer altijd ook de afmetingen van de oude situatie terug te vinden en in de statistieken voer ik het gebouw twee maal in met de verschillende maten.

Waarom moesten zoveel schuren vergroot worden? Het ligt voor de hand om aan te nemen dat dit kwam doordat het land van verschillende boerderijen samengevoegd werd. Er werden ook al in de 16e en 17e eeuw boerderijen afgebroken. Ook toen werd er al land verdeeld onder de naastliggende boerderijen. Schaalvergroting is iets van alle tijden. Een andere, en misschien wel de belangrijkste reden om de boerenschuren te vergroten is gelegen in het feit dat de hooiopbrengst over de eeuwen sterk toenam. Het hooi moest voor de winter opgeslagen worden en door de hoger wordende hooiopbrengst moest de hooiberging over de eeuwen steeds opnieuw vergroot worden.

Uit archiefstudie en uit de gegevens die naar voren komen uit mijn boerderij metingen heb ik kunnen vaststellen dat er voor elke pondemaat grasland rond 1650 ongeveer tien kubieke meter hooiopslag nodig was.  (Dat dit precies tien kubieke meters zijn is natuurlijk toeval, want de eenheid van de kubieke meter bestond nog helemaal niet.) Rond 1850, twee eeuwen later is er al 16 kubieke meter berging per pondemaat grasland nodig. Dat is 60% meer dan twee eeuwen eerder!  Die toename verliep vrij geleidelijk over de onderzochte periode.

Er moet voor de timmerlieden zoiets als een (met de tijd veranderende) vuistregel zijn geweest over hoe groot de hooiberging moest zijn per pondemaat land. Dat is ook niet meer dan logisch. Het grondareaal en dus ook de grasopbrengst is de meest constante factor in de bedrijfsvoering van een veeteelt boerderij. Meestal blijft het grondareaal van een boerderij lang ongewijzigd. Alleen bij grensverleggingen, bij grondaanwinning of bij het opheffen van naastliggende boerderijen verandert het grondareaal sterk. De meester-timmerlieden, de bouwers én architecten van vroeger, zullen zonder enige twijfel eerst geïnformeerd hebben hoeveel grasland er bij de te bouwen boerderij hoorde.

De hoeveelheid gras bepaalt de afmeting van de daarvoor benodigde hooiopslag. De afmeting van de hooiopslag, de gollen, bepaalt hoe groot het blok van de schuur moest zijn. De hoeveelheid hooi bepaalt het aantal stuks vee dat er kan worden gehouden en hoeveel stallen er moesten komen en het aantal stuks melkvee bepaalde hoeveel kaas er gemaakt kon worden. De Fries greideboerderijen zijn immers oorspronkelijk allemaal kaasfabriekjes geweest! De toename van de benodigde hooiberging per pondemaat is over de eeuwen  zo regelmatig dat het in principe zelfs mogelijk is te zeggen hoe oud een schuur is als je weet hoeveel land er eertijds bij hoorde en hoe groot de hooiberging origineel is.

(c) Paul Borghaerts november 2016
Redactioneel meelezer: Liuwe Westra